SSB INFO 5 d.d. 27 juni 2003


BESTE OM'S
Terug van weggeweest zat er weer een hele boel post op de harde schijf.
De onderwerpen variërenvan ontbrekende componenten tot technische problemen.
Dit wordt veel info,want de beschrijving van het afbouwen van detransceiver moet
er ook in.
DE INFOBRIEVEN.
Bij het doorlezen van jullie brieven krijg ik de indruk dat er OM's zijn die de
infobrieven niet hebben, o f niet lezen. Ze staan allemaal op de websiteen je kuntze
zo ophalen.
DE WEBSITE EN DE VERANDERINGENEN AANPASSINGEN.
Ik denk dat we bijna aan het eind van alle "aanpassingen" zijn. Alle "fouten" zijn nu
wel bekenden in de infobrieven beschreven (ze staan op de website) . We krijgen nu
hopelijk alleen nog maar reacties van enthousiaste mensen die de transceiver werkend
hebben. En dan is het toch leuk om dat via de websitete volgen?
DE ONTBREKENDE ONDERDELEN.
Het is nu vrijdag 27 juni, en ik wil proberen om alles wat bij jullie ontbreekt de
komende week de deur uit te krijgen. Realiseer je dat ik dat werk alleen doe en het
kost ook veel tijd om uit alle brieven de info te halen en te scheiden in vragen en
ontbrekende componenten.
Alle mensen van de eerste groep (Kootwijkerbroek) krijgen dan de knopdeksels en
siermoertjes. Ook de BB112, de CSB455E. Daarvan krijg je er twee want er komt er
een bij in de draaggolf oscillator, zie info 4. Dat geldt ook voor de hulpprintjes voor
de instelpotmeters van de VFO.
Dan zijn er nog enkele mensen die nog geen omzetters hebben en die gaan ook de deur
uit.
Daarnaast zijn er mensen die enkele componenten missen en die zal ik tegelijk
meesturen.
Hopelijk heeft iedereen dan alles, maar als dat niet zo is blijf ik beschikbaar om de
problemen op te lossen. Laat het ons weten.
Ik heb me tot nu toe alleen nog maar bezig kunnenhouden met het schrijven van deze
info. Daarenbovenheb ik de transceiver nu mechanisch in elkaar gezet om er foto's
van te kunnen maken. Dat is ook heel erg nodig want een aantal mensen he eftde
printen af en willen de hele transceiver nu samenbouwen.
Daarbij is het absoluut nodig dat je de originele opzet weet want anders kom je
misschien in de problemen. "Er leiden meer wegen naar Rome" , en als je dingen wilt
veranderen of naar je eigen idee wilt aanpassen , zoals ik uit brieven merk, moet je
eerst wete n hoe het orgineel er uitziet.We hebben ook een bedradingschema
gemaakt en daarover vind je hieronder ook info.
Algemene informatie over componenten(naar aanleiding van uw vragen) .
· De BA423zijn de kleine diodes en ze heten APH 45.Het zijn BAS45 en gelijk
aan de BA423.
· BFW20 is BFW10. (De BFW10 heeft vier pootjes, de BSX20 heeft "maar" drie
pootjes ).
· De BST70A is de BST72A, alleen een andere spanning. Ze komen uit de oude
omzetters.
· De weerstanden van 47 Ohmzijn 56 Ohm. Dat ge ld ook voor alle andere 47
Ohm weerstanden
· De gele blokjes zijn de resonators CSB 455 E en het driepootjeis een filter
SFU 455 A.
Componentencodering.
· 101 is een 10 met één 0, dus 100 pF
· N10 is 0,1 nF dus ook 100 pF
· 103 is een 10 met drie nullen dus 10 000 pF of 10 nF
· 152 is 15 met twee nullen dus 1n5 of 1500 pF
· 224 is 22 met vier nullen, dus 220 000 pF of 220 nF
De kleurcode van trimmercondensatoren.
· Grijs is 5 pF
· Geelis 10 pF
· Blauwis 15 pF
· Groenis 22 pF
· Paars = 40 pF
De spoeltjes van 330 of 470 µH op de SSB print.
Daaroverkwam ik een paar vragen tegen. In Info 3 vind je het antwoord bij
SSBPRINT
De keramische filters, 10,7 MHz en 455 KHz.
De 10,7 MHz filtertjes hebben een rode stip, maar het maakt niets uit hoe je ze
monteert. Dat geld ook voor de gele 455 KHz filters. Monteer ze zo dat je altijd het
typenummer nog kunt lezen.
De knoppen.
De vijf met schroef-en klembevestiging zijn bedoeld voor de potmeters en de
schakelaars op de voorkant en de twee andere voor de potmeters op de control -box.
EEN AANTAL TECHNISCHE ZAKEN.
DE VFO.
Ik denk dat veel mensen voor het eerst kennis maken met regellussen en
spanningsgestuurde oscillatoren zoals in de VFO en de bandensynthesizer.
Voor de afregeling,en om eventuele problemen op te kunnen lossen , is het van belang
dat je die sc hakelingen enigszins begrijpt. Ik ga daarom de werking en afregeling van
de VFO nog eens beschrijven maar nu in andere bewoordingen. Voor een deel geldt die
ook voor de synthesizer.
In Electron, december 2002 en de Info 4vind je wel de nodige info rmatie, maar ik
denk dat d i t nog niet duidelijk is. Bovendien kan ik het nu voor de definitieve
schakelingen beschrijven.
Over het meten van spanningenvind je verderop een aantal aanwijzingen.
Om de schakelingen van de VFO te begrijpen moet je hem "ontleden" in vier aparte
delen. Ze hebben elk hun eigen functie, dus als deel 1 niet werkt moet je dat niet in
deel 2 zoeken.
1. Afstemgedeelte, in het schema rechts van IC2-2.Afstempotmeter,
geheugens en display
2. De regellus,in het schema links van IC2-2
3. De VCO,digipuls en vergelijker/op -amp, IC2-2, i e beide delen op elkaar aanpast
4. De frequentie l ock,maar die laten we nu buitenbeschouwing.
Van elk van bovengenoemde delen volgt nu een beknopte uitleg met afregelinformatie .
Het rechter deel met de afstempotmeter, de geheugens en de spanningsvolgers.
De spanning van de afstempotmeter heeft een spanningszwaai van ca. 3 naar 9
volt. Die staat ook op de uitgang van de spanningsvolgers IC13-1 en IC9-1. De
uitgang van IC9-1 "stuurt" de display die bij juiste afregeling de fre quentie
aanwijst.
Dit deel heeft zijneigen afregeling. Met P4 stel je de display bij 3 volt in op
min 10 en met het potmetertje op de display bij 9 volt op plus110. Deze
afregeling moet je een paar keer herhalenomdat er wat inter a ctie is tussen de
twee instellingen. (Doe de displaymodificatie met de 10 KOhm. Zie info 4 bij Faanwijzing met DVM.)
Kleine afwijkingen zijn niet van belang. Stel dat de display bijv. -12 en +114
aangeeft. Dat betekent alleen dat straks de frequentie aan de onderkant 12
KHz onder de 100 KHz komt en 14 KHz boven de 100 KHz van dat segment. De
"overlap" is wat groter. Dus als een van de twee instelpotmeters aan het eind
van zijnregelbereik zit maar je hebt vrijwel de go ede aanwijzing, laat het dan
zo.Het verandert nooit meer en zeker niet uit zichz elf of er moet iets kapot
gaan.
Wil je toch het heel precies doen, dan moet je weerstanden aanpassen. Maar
als dit eenmaal in orde is hoef je hier nooit meeriets aan te doen.Als de
frequentie later niet klopt zit het probleem niet h ier maar ergens anders.
2. Het linker deel, de regellus met de VCO, de digipuls en de vergelijker of
comparator.
Uit jullie brieven en commentaren begrijp ik dat over de begrippen VCO en
regelspanning veel onduidelijkheid is. En dat wordt nog erger als V CO en
digipuls een regellus vormen en het geheel ‘in lock' is. Want als de VCO in de
regellus zit kun je met de trimmer alleen nog maar de regelspanning instellen.
Maar als de varicap met een externe spanning gestuurd wordt kun je met de
trimmer de frequen tie regelen. Dat is moeilijk te begrijpen en je snapt het pas
als je eens aan de trimmer draait als alles werkt .Datzelfde speelt ook bij de
bandensynthesizer, daar is ook een regellus. Alleen is de digipuls dan een faze vergelijker. We zullen het nog eensbeschrijven want verschillende mensen
willen graag precies weten hoe het werkt. En het is prettig als je straks je
eigen problemen kunt oplossen.
In het volgende bekijken we de drie delen apart: De VCO, dedigipuls en de
vergelijker. Het geheel is een regellus. We gaan er eerst van uit dat alles
normaalwerkt.
- De VCO is een oscillator waarvan de frequentie instelbaar is met een
regelspanning .De frequentie van die oscillator wordt bepaald door de
afstemkring. Die bestaat uit de spoel L2, de vaste conden sator C4, de trimmer
C5 en de varicap. Die heeft, als voorbeeld, bij 3 volt een capaciteit van 25 pF.
Door de spanning op de varicap te regelen, veranderen we de frequentie van de
oscillator. Daarom noemen we deze oscillator een VCO, Voltage -ControlledOscillator. De trimmer dient allen voor correctie. Het verband tussen spanning
en frequentie is als volgt: Bij 2 tot 3 volt geeft de VCO 10 MHz en bij 8
tot 10 volt 10,4 MHz.
-De digipuls zet de oscillatorfrequentie na menging om in een spanning.Uit
de mengtrap komt 145 tot 245 KHz, dat is dezelfde frequentiezwaai als de
VCO. Doordat de digipulswerkt met pulsen uit een kristaloscillator geeft die
een nauwkeurige fre quentie naar spanningsomzetting: 145 KHz is 3,1 volt en
245 KHz is 5,3 volt (+/-0,1 volt, meten op C16.).
-IC2-1 is een vergelijker, een comparator. Hetvergelijkt de spanning uit
de digipuls met die van de afstempotmeter en daardoor ontstaat de
regelspanning voor de VCO. De digipuls -spannig staat op de ‘ min’ingang. Daarom
heeft de digipuls -spanning een tegengesteldewerking op de VCO regelspanning.
De afstemspanning staat op de ‘plus’ ingang van de vergelijker. Daarom heeft
die dezelfderichting als de regelspanning (Voor de regellus is dat de
referentiespanning) .
Stel nu dat die even niet verandert, dus volkomen stabiel is. Als dan de
frequentie, door welke oorzaak ook, wil veranderen ontstaat aan de uitgang van
IC2-1 een regelspanning die tegengesteld is aan de frequentieverandering. Door
de grote versterking van de op -amp werkt die elke frequentieverandering, hoe
klein ook, tegen.
Dus de frequentie van de VCO zit onveranderlijk vast aan de
referentiespanning , dusals we die veranderen verstemmen we de VCO.
Die spanning wordt vergeleken met de digipulsspanning en daarom heeft de
afstemspan ning dezelfdewaarde als de digipulsspanning. Dus als we op IC2-1
pin 3 de spanning variërenvan 3,1 naar5,3 volt gaat de VCO van 10,145naar
10,245MHz. En op die punt3sluiten we de afstempotmeter aan.
Er is een verschiltussen de spanningszwaai van de potmeter en de zwaai aan de
ingang van de vergelijker. Want de afstempotmeter heeft een zo groot
mogelijke spanningszwaai, want dan hebben storende invloeden zoals ruis,
kraken of brom de minste invloed op de afstemspanning. Nu is het midden van
de spanningszwaai van de regellus ca. 4 volt en het midden van de
spanningszwaai van de potmeter 6 volt. Om die twee waarden op elkaar aan te
passen plaatsje op pin 3 van IC2 -1, het extra weerstandje van 22 Knaar
massa. Bovendien verzwakken we de zwaai van de potmeter ook nog eens met
IC2-2 zodat de totale verzwakking ongeveer drie keer bedraagt.
Een FLL.
Omdat we hier de frequentie omzetten naar een spanning en die met een
andere spanning vergelijken noemen we dit een ”Frequency -Locked -Loop", dit in
tegenstelling tot de synthesizer, daar heet het een “Phase -Locked-Loop”omdat
de regelspanning daar ontstaat door een fasevergelijkingvan twee frequenties.
Het meten van spanningen.
Als er iets niet goed werkt , of om zaken te controleren, moeten we steeds spanningen
meten.Daarbij is het zaak opte passen dat de meter de metingen niet beïnvloed. Het
beste meet jemet een analoge meter omdat je daarmee direct ziet of een spanning
bij veranderingen omhoog of omlaag gaat. Daarbij moet je wel rekening houden met de
i nwendige weerstand van de meter.
Met een digitale meter gaat het natuurlijk ook maar die is wat lastiger af te lezen bij
veranderende spanningen. Wel heeft een dergelijkemeter een hogere inwendige
weerstand.
Als de regellus normaal werkt kun je de regelspanning van de VCO meten op de
uitgang, pin 1 van IC2-1. Daar maakt het niets uit of de meter een lage of hoge
inwendige weerstand heeft want de op -a mp heeft een zeer lage uitgangsweerstand.
Maar meet je de digipuls-spanning op C16 dan kan er enige misaanwijzing ontstaan. En
dat is ook het geval als je de spanning op de ingang van de loop, pin 3 vanIC2-1 meet.
Als je de VFO voor het eerst laat werken en je ziet dat door het verdraaien van
de afstempotmeter de regelspanning van de VCO verandert, werkt de hele VFO.
Hooguit zijn er dan nog wat kleine aanpassingen nodig.
Als de VFO niet goed werktmoet je als eerste controleren of de VCO de juiste
frequentie geeft bij de gegeven afstemspanning. De waardes zijn hierboven bij VCO
aangegeven. Als de VCO dat regelbereik heeft valt het exacte bereik van 10,145 tot
10,245 MHz hier ruimschoots in.
Om dat te controleren onderbreken we de regellus door R8 los te nemen van de opamp en zetten daar een externe (regel)spanning op. Nu werkt de VCO op zichzelf en
kunnen we d e frequentie veranderen en instellen met die regelspanning èn de trimmer.
En stel nu dat de VCO bij 3 volt geen 10 MHz geeft maar bijv. 9,8 MHz. Dan zit de
resonantiefrequentie van de kring dus te laag. Nu kun je die hoger maken door de
trimmer uit te draaien, dus minder capaciteit te geven. Maar is dan de frequentie nog
te laag, dan zijn er twee mogelijkheden:
Ofde zelfinductie is te groot, ofde vaste capaciteit, in dit geval C4220 pF, is te
groot.
Maar de capaciteit kan hooguit een paar procent afwijken. Dan blijft alleen de spoel
over, er is te veel zelfinductie, dus te veel windingen.
Bij PAoFRD was dat zo en hij heeft 2 windingen van de spoel gehaald, dus naar 24
windingen, dat geeft minder zelfinductie. Er treden kennelijk toch wat verschillen op
bij het wikkelen van het spo eltje.
Als we de regellus sluitenen de VCO heeft het juiste frequentiebereik, dan kun je
met de trimmer alleen nog maar de regelspanning veranderen . Dat komt omdat de
regelspanning via de varicap de capaciteitsverandering van de trimmer tegenwerkt .
Want als de trimmer capaciteit toeneemt, zal die van de varicap afnemen en de
totaalcapaciteit blijft hetzelfde!
De frequentie verandert dus niet en je kunt met het verdraaien van de trimmer nu
alleen nog maar de regelspanning afregelen!
Verdraai nu de afstem potmeter eens van 3 naar 9 volt (display van -10 naar +110).
Let op , als de spanning omhoog gaat,gaat de frequentie omlaag.Zie bij IC2-2.
Als alles goed werkt zal de VCO afstemspanning varië ren ergens tussen 2 en 11 volt.
Datkan zijn van 2 naar 6, van 4 naar 7 of van 5 naar10 volt , of waarden daar tussenin.
Maar als je dan de frequentie van de VCO meet zul je zien dat die altijdgaat van
10,135 tot 10,255 MHz.
De exacte waarde van de VCO regelspanning is dus nietbelangrijk , maar welof die
binnen bepaaldegrenzen blijft. Die worden bepaald door de voedingsspanning van 12
volt en IC2-1. De op -amp uitgang kan niet lager worden dan ca. 1,6 volt en aan de
bovenkant niet hoger dan ca. 11 volt. Voor een zekere werking moet de rege lspanning
ruim binnen dit venster blijven en mag niet lager komen dan 2 volt en niet hoger dan
10 volt.
Met de trimmer stel je het midden van de VCO regelspanning zo in dat die zich
beweegt rondom het midden van deze spanning, dus 5 à 6 volt. Dan blijf jemet de
uitersten van de regelspanning ruimschoots binnen het bereik van de op -amp.
Als je nu ziet dat de regelspanning aan de onderkant lager komt dan 2 volt of aan de
bovenkant hoger dan 10 volt en je kunt dat met de trimmer niet goed krijgen dan is de
resonantiefrequentie van de kring iets te hoog of te laag en moet je de VCO
controleren en aanpassen zoals hierboven is beschreven.
3. IC2-2.
De VFO en de afstempotmeter hebben dus twee verschillende
spanningsbereiken. Die kunnen we nooit zo precies makendat ze zonder meer
aan elkaar geknoopt kunnen worden. Er zijn altijd toleranties in de weerstanden
en bovendien, als je het uitrekent kom je op rare waarden van weerstanden die
moeilijk verkrijgbaar zijn. Om de twee spanningen precies op elkaar aan te
pas sen dient IC2-2. Bovendien gebruiken we die om de richting van de
afstemspanning om te keren, boven menging 1e mixer, zie Electron. Door het
instelpunt en de versterking instelbaar te maken met twee instelpotmeters P3
en P1 kun je beide spanningsbereiken op elkaar afregelen , dat wil zeggen,je
past de VFO aan op de display want de displayindicatie is de frequentie!
Met P3 regel je het midden van het VFO bereik, 10,195 af op 50. Met P1
stel je de hogeen lage frequentie in op de 100 KHz punten, de "span".
Deze afregeling moet je een paar keer doen want er is toch enige inter actie
tussen de twee potmeters. Je zult dat merken als je exact op de 100 KHz
punten gaat afregelen. Dat doen we overigens pas als de ontvanger werkt, want
dan kun je met de synthesizer een beatnote maken exact op elke 100 KHz.
De laatste stand
Fred, PA0FRD, heeft nu de hele VFO werkend met alle toeters en bellen zoals
de fijnregeling en de memo's. Alles werkt, alleen nog wat kleine aanpassingen.
· Hij heeft R50 verkleind naar 39K, dan staat de potmeter P4 mooi in het
midden.
· R28 is vervangen door een doorverbinding, dat geeft een wat ruimer
bereik met P1.
· Bij de VCO heeft hij 2 windingenminder op het spoeltje gelegd. Het kan
overigens zijn dat het bij jou wel goed is dus probeer het eerst uit. Er
kunnen verschillen optreden door het wikkelen van het spoeltje. De
display en de frequenti e kloppen bij Fred nu precies.
Nu moet iedereen z'n VFO "fluitend" in orde kunnen krijgen. De laatste infois
dat de fijnregeling en de memo’s nog nietniethelem áál werken zoals het moet.
Daar komen we nog op terug.
DE BANDENSYNTHESIZER EN BANDEN VCO.
ON6MR heeft ze gebouwd en alles werkte in één keer goed.Als je de twee
spanningen er op zet en het signaal van de kristaloscillator, is de eerste test om te
zien of de afstemspanning verandert als je de bandschakelaar verzet. Als dat zo is
werkt (bijna) alles!
Daarna kun je met een counter meten of de juiste frequenties uit de VCO komen. Op
de VCO uitgangdie naar de mixer gaat meet je de VCO frequentie en die moet lopen
van ca. 20 tot 40 MHz. Hij staat altijd 10,7 MHz boven de ingestelde band frequentie
Op de deler uitgang komt, afhankelijk van de keuze van hoge of lage band, de VCO
frequentie gedeeld door 10 of 20.
Als het niet werkt kunnen er veel oorzaken zijn. Meet de voedingsspanningen en kijk
of het kristaloscillator signaal van 10 MHz er is. Is de VCO goed verbonden en heeft
die voedingspanning ? Probeer door logisch te denken de fout te vinden, er kan niet
veel mis zijn.
OSCILLEREN VAN DE MICROFOON VERSTERKER/COMPRESSOR.
PA0CGB meldde dat de microfoonversterker oscilleerde. Dat komt door de op-amp.
Als daar een Texas -Inst ruments IC in zit kan die oscilleren, een Philips IC doet dat
niet. De verschillende merken zijn door elkaar geleverd.
De oplossingis een condensatortjevan 100-220 pF tussen de -ingang en de uitgang.
Je kunt het aan de onderkant tussen pin 1 en 2 monteren.
Er is ook een vraag of je een dynamische microfoon i.p.v. een Electret kunt gebruiken.
Ja, dat kan maar dan heb je wèl een extra versterker nodig, omdat een dynamische
microfoon nu eenmaal veel minder energie, of spanning afgeeft. Je moet dan ca. 10X
extra versterken en een goede HF ontkoppeling toepassen. Bovendien moet je meestal
wat frequentie correctie toepassen. Zet een inste lpotmetertje tussen die versterker
en de ingang van de compressor /versterker, dan kun je het niveau aanpassen.
DE BANDENFILTERS.
We meldden het hierboven al,voor alle 47 Ohmweerstandenkun je 56 Ohm
gebruiken, dat maakt niets uit.
· Er is nog een foutje o p de print. Er ontbreekt een verbinding tussen C19 en
C22.
· Dan zijn er nog wat aanpassingen in de filters. Er is wat tolerantie in de
spoeltjes en dat geeft aanpassingen van de C'tjes. Dat wil overigens niet
zeggen dat het dan niet werkt. Voor de ontvanger is het al snel goed maar de
zender geeft dan te weinig sturing en dus output. Gelukkig hebben de spoeltjes
over het algemeen wat te weinigzelfinductie zodat er alleen maar wat extra
capaciteit toegevoegd moet worden. Daarom zitten die extra gaatjes in d e
print.
· Het 12 en 10 meterfilter zit wat te hoog in frequentie . Er moet een C'tje van
4p7 parallel aan de 10 pF's C1 en C3. Daarvoor zijn de extra gaatjes .
· Dat is ook bij het filter voor 15 en 17 meterhet geval. Daar worden de
serie condensatoren 33 pF en C23 is 27 pF. (bij twee condensatoren parallel tel
je de waarden gewoon op voor de totaalcapaciteit) .
· Het filter voor 160 meter is aan de smalle kant, ca. 50 KHz. Nu wordt de
bandbreedte van de filters in hoofdzaak bepaald door de condensatoren die van
de knooppunten van de seriekringen naar massa zitten. Daar om zijn voor het
160 meter filter 1n5 en 2n2 geleverd die je parallel moet zetten. Monteer
alleen 2n2 voor een bandbreedte van 1800 tot 1900 KHz.
DE MONTAGE VAN DE PRINTEN IN DE BLIKJES.
Het zou uit het oogpunt van bedradinggezien erg logisch zijn om bij het bandenfilter
de verbindingen tussen de verschillende +RX en +TX punten over de print te leggen.
De reden om dat niette doen is, dat daarmee de werking van de filters verslechtert.
Een filterwerkt optimaal als de ingang en uitgang zo goed mogelijk van elkaar
gescheiden zijn. Door die bedrading ,die dan van de in gangnaar de uitgang van de
filterdoos zou lopen , ontstaan er ongewenste koppelingen. Er zou dan verslechtering
van de werking van de filters op kunnen treden. Bovendien zou je dan de massa op de
print meermalen moeten doorsnijden en die massa is nu juist het sterke punt van deze
opzet. Die loopt van de ene naar de andere kant onder de filters door , en daardoor
geven ze een hoge isolati e tussen de in gangen de uitgang.
Monteer dus alle DVC's zoals aangegeven en verbind de gelijke punten met elkaar
door aan de buitenkantvan het doosje.
Dan is er een vraag waarom de printen in het middenvan de blikjes gemonteerd zijn.
Het antwoord is: O m aan de onderzijde, tussen de sporenkant van de print en het
onderdeksel ,genoeg ruimte te hebben om de DVC's èn de BNC connectors te kunnen
monteren. Het midden van de gaten van DVC's en BNC's zit ca.7 á 8 mm van de
onderste rand van de blikjes.
Je moet dat zelf even uitmeten en de exacte hoogte boven de onderrand vaststellen.
Aan de bovenkant van de print blijft genoeg ruimte over voor de componenten en de
hoogte is voldoende om geen invloed te hebben op de werking van de filters door het
bovendeksel. Deplaats van de DVC's in de zijkanten is zo dicht mogelijk bij het
aansluitpunt op de print.
HET SAMENBOUWEN VAN DE COMPLETE TRANSCEIVER
Er zijn mensen die daarover eigen ideeënhebben, dat mag. Maar ik denk toch dat het
beter is om de transceiver eerst tebouwen zoals hij bedacht is, en om hem werkend
te krijgen.
Dat geldt zowel voor de mechanica als de bedrading. Als je op voorhand veranderingen
gaat aanbrengen en er treden problemen op bij het in werking stellen weet je niet of
dat misschien aan de veran deringen ligt. Zorg er eerst voor dat hij gaat werken dan
kun je later altijd nog veranderingen aanbrengen.
Als alle delen, dus alleprinten, ‘be-componeerd ’zijn, en waar nodig in de blikjes
gemonteerd, kun je alles samenbouwen. Daarvoor heb ik de trans ceiver mechanisch nu
geheel in elkaar gezet. Daarvan is een aantal foto'sgemaakt (je vind ze op onze
website) en hieronder volgt de beschrijving.
DE MONTAGE VAN DE COMPONENTEN OP HET BOVENDEKSEL.
Het bovendeksel van de omzetter-doos gebruiken we om delen van de transceiver,
bandenfilter, banden VCO, schakelprint en displayvoeding op te monteren.
Een eerste indruk van de opzet krijg je als je de (helaas gedeeltelijk mislukte) foto in
Electron, september 2002, blz. 368 bekijkt. Nu is dat het prototype maar de
elementaire opzet van het monteren van delen op het deksel is gebleven alleen de
uitvoering is veranderd. Op de nieuwe foto's zie je hoe de drie delen op het
bovendeksel gemonteerd zijn en er is een foto van de onderkant van het deksel.
De blikdeksel s voor bandenfilter en VCO zijn met korte M3 schroefjes , moertjes en
ringetjes op het alu deksel gemonteerd .De kopjes van de schroeven zitten aan de
bovenkant. Zorg er voor dat de doosjes van bandenfilter en banden VCO goed
klemvast in de deksels zitten maar toch ook weer zo dat je ze gemakkelijk los kunt
nemen.
Achter de VCO is plaats voor de displayvoeding.
Bij de schakelprintzitten de schroeven andersom , met de kopjes aan de onderkant en
ze hebben een lengte van 15 mm. De boutjes zijn eerst met een m oertje en een
ringetje aan de bovenkant van het deksel vastgezet. Het schakelprintje is dan vier
keer met twee moertjes aan de boutjes bevestigd en zo kun je de hoogte van het
printje instellen. Nu kun je ook het printje voor montage gemakkelijk losmaken, je
hoeft alleen de bovenste moertjes er maar af te draaien. Je kunt dit natuurlijk ook
met M3 draadeind en moertjes doen. Het aftekenen van de gaatjes in het deksel is
precisiewerk. Maak ze wat groter, bijv. 3,5 mm, anders krijg je het heel moeilijk
passend.
Let op dat er aan deze print een goede massaverbindinggemaakt moet worden met
een aparte draad naar de massa van de VFO print. Dat geldt natuurlijk voor alle
modulen. Er moet altijd een massaverbindingblijven bestaan, ook als je ze los maakt!
Al is het maar via b.v. de massa van een coaxkabel. Anders kunnen er
spanningsverschillen ontstaan waardoor componenten beschadigd kunnen raken of
kapot kunnen gaan.
Het bandenfilterligt zover mogelijk naar de achterkant van de transceiver zodat de
connectors buiten het kastje uitsteken. Dat is gemakkelijk als je de BNC pluggen er
op en af moet doen.
De aansluitingen van de +12 volt, de +RX en +TX van het bandenfilter zijn gemakkelijk
aan de schakelprint te verbinden.
Het ‘junction’-printje is met de soldeer strip tegen het blik gesoldeerd. Daarbij moet
je een randje print wegvijlen tot het lijntje dat op de bovenkant aangegeven is. Dan
komt het vertinde stripje tegen het blik en kun je het gemakkelijk solderen.
Deze constructieis zo bedacht omdat je nu het bandenfilter los kunt maken en
omkeren terwijl alle draden vast kunnen blijven zitten. Alleen de kabelboom naar de
bandenschakelaar beweegt maar als je soepel draad gebruikt kan dat best een aantal
keren bewogen worden zonder af te breken. Voor de aansluiti ngen naar de eindtrap
maken we nog een verloop naar een stekker zodat je die gemakkelijk los kunt maken.
Ik heb er ook een fotovan gemaakt en als voorbeeld is er een aantal draden aan
gesoldeerd die naar de aansluitingen op de filterprint gaan (Protoprint!). Zie verder
bij bedrading 5.
"SERVICABILITY"
Dat is een mooi woord dat bij de hedendaagse elektronicabijna vergeten is. Ik denk
aan de stress van elke radioamateur die zijn gekochte transceiver open maakt als hij
kapot is.
Alle delen van de transceiver moeten gemakkelijk toegankelijk zijn.
Bij het ontwerpen van deze zelfbouwtransceiver stond dat bovenaan de verlanglijst
en ik denk dat die wens is uitgekomen. Zie de foto's .
Bij de montage van de bedrading moeten we zowel aan de onderkantals aan de
bovenkant van de printen kunnen werken en de we weten uit ervaring leert dat het
belangrijk is datje overal gemakkelijk bij kunt.
En het kan ook gemakkelijk zijn bij de afregeling. Nu zitten de afregelpunten wel op
de componentenzijde aan de onderkant en die op het bovendeksel aan de bovenkant
dus je kunt er al gemakkelijk bij. Maar als je moet foutzoeken of metingen doen mag
de bedrading niet onderbroken worden. En dat is ook voor later als je ooit nog eens
wat aan de printen moet doen. Hopelijk komt dat niet voor , maar je weet maar nooit
en je moet er nurekening mee houden. Dezelfde argumenten gelden ook voor de
bedrading.
Om overal gemakkelijk bij te kunnen, óók bijeen werkende transceiver, hebben we
een constructie bedacht waarmee we het bovendeksel verticaal kunnen monteren.
Daarvoor gebruiken we de alu strippen waarmee later de eindtrap boven de
transceiver bevestigd wordt. Ik heb die strippen alvast gemaakt en gemonteerd (zie
de foto). Het zijn twee alu strippen van 100 x 15 x 2 mm. Voor de bevesti ging van de
eindtrap aan de transceiver zijn daarin zijn 6 mm gaten geboord. Die zitten op 80 mm
uit elkaar dus 10 mm van elk eind van de strip.
Voor het verticaal vastzetten van het bovendeksel zijn op de juiste plaatsen in beide
strippen ook 3 mm gaatjes geboord. Die plaatsen zijn bepaald door de plaats van de
bestaande gaten in het deksel, dus rechts zit het lager dan links. Aan de strips zijn in
de 3 mm gaatjes stukjes draadeind van 3 mm bevestigd. Hieraan kun je nu
gemakkelijk het deksel in een verti cale stand monteren.
Voorhet vastzetten van het deksel gebruiken we de busjes waarmee in de omzetters
de synthesizer printen zijn bevestigd. Die zijn gemakkelijk met de hand los en vast te
draaien en zo kun je heel gemakkelijk het deksel in de verticale stand vastzetten.
Een belangrijk voordeel van deze methode is ook, dat je nu de hele transceiver
werkend op haarkant kunt leggen waarbij je een goede toegankelijkheid hebt tot
bijna alle delen. Als je dan ook nog aan de bovenkant moet zijn, bijvoorbeeld om een
trimmer in het bandenfilter af te regelen hoef je alleen maar het deksel van dat
betreffende doosje te nemen.
Als je later de eindtrap monteertkun je het rechter M3 draadeind laten zitten. En
als je voor het linker draadeind een extra gaatje in de strip boort kun je het daar
"bewaren". Dan raakt het nooit zoek.
DE BEVESTIGING VAN DE LED'S aan de voorkant.
Wil Brinkman heeft hiervoor een mooie constructie bedacht en er een foto van
gemaakt die we op het Web zetten. Hij heeft het gedaan met gaatjes print, dat is
prima maar als je dat niet hebt kun je ook gewoon printplaat gebruiken. Hij heeft het
bevestigd onder de schakelaars maar je kunt een dergelijk klein printje ook met
twee -componenten lijm aan de achterkant van de voorkant plakken.
Een ander ideeis om een printstripje van b.v.6-8 mm breedte met de juiste lengte te
maken. Daarop zaag je een benodigd aantal eilandjes en d ie plak je met
tweecomponentenlijm onder de gaatjes van de leds. Dan heb je aansluitpunten en daar
kun je dan de draadjes van de LED’s aan solderen. Dan kun je de LED’smooi in het
gaatje positioneren en eventueel vastlijmen.
Mocht er ooit een LED kapot gaan dan kun je hem gemakkelijk vervangen waarbij het
printje kan blijven zitten. Maak een extra eilandje voor het weerstandje bij de
power-LED.
HET VASTZETTEN VAN DE BANDENSCHAKELAARS.
Het is lastig om de 10 mm busjes met schroefdraad, die de schakelaars aan de
voorkant vastzetten, met een tang vast te houden. Oorspronkelijk was hiervoor een
inbussleutel bedoeld maar die kan bij onze to epassing niet gebruikt worden.
Ik heb nu aan de voorkant van de busjes twee platte kanten gevijld. De busjes zijn
gemaakt van messing dus het is erg gemakkelijk af te vijlen. Daarbij zet je de busjes
in de lengterichting in de bankschroef. Het ziet er uit als een O met twee, tegenover
elkaar liggende platte kanten. Er is een foto op de website waarop je dat kunt zien.
Nu kun je het busje met een combinatietangaan de voorkant vasthouden terwijl je de
moer aan de achterkant vastdraait. Je kunt nu gemakkelijk de synthesizerprint
monteren, nadatje de overige bedrading aan de voorkant gemonteerd hebt
HET ONDERDEKSEL.
Het onderdeksel is het belangrijkste want daar rust de hele transceiver op!
Uw schrijver veroorlooft zich hier het maken van een niet technische zijsprong, het
herinnert mij aan een aardige anekdote. Toen er bij koningin Wilhelmina tijdens haar
zwangerschap van Juliana, een opmerking gemaakt werd over haar stevige (dikke)
benen antwoordde zij: "Die moeten wel heel sterk zijn want daar rust dehele
dynastie op!" . Het is nuttig om er eerst voetjes aan te zetten dan schuurt het niet op
de tafel. Zie de foto op de website . Dat gaat erg goed met plakvoetjes maar nog
beter met stootdopjes zoals die vroeger aan Wc-brillenzaten. Dat zijn stevige poten,
die kun je met schroefjes monteren en ze zitten dan veel beter vast. Plakvoetjes
laten nogal eens los, zeker als je het kastje vaak heen en weer schuift. Monteer drie
pootjes, twee aan de voorkant en éénaan de achterkant, dan staat de transceiver
altijd recht. De componenten zijdevan de printen wijst naar beneden.Daar zitten de
afregelpunten waar je nog wel eens bij moet. Tijdens de bouw moet daarom het
onderdeksel een aantal keren verwijderd worden, zet het daarom voorlopig eerst
maar met twee schroefjes vast. Gebruik hiervoor M3 kruiskop, die kun je gemakkelijk
vast-en losmaken. Zie daarvoor ook weer de foto van het prototype in Electron,
oktober 2002, blz. 433 en de nieuwe foto's van nu op de website.
DE ACHTERKANT.
Plak wit zelfklevend papie r over de bruine Philips -sticker. Dat geeft voorlopig een
beetje aankleding, later kun je er nog van alles mee doen.
Zoals je ook ziet op de foto's (website) zijn de stekkers verticaal aan de achterkant
bevestigd. Dat geeft een gemakkelijke bevestiging metM3 schroeven van de juiste
lengte. Ze zitten ca. 1 cm van de achterkant en hier kun je natuurlijk ook M3
draadeind voor gebruiken.
DE BEDRADING EN HET BEDRADINGSCHEMA.
Piet. PE1PYK , heeft een bedradingschemagemaakt en na een middag van gezamenlijk
puz zelen denken we dat alles er op staat. Het staat nu op de website.
Bedenkdat ook wij de transceiver in de nieuwe opzet nog niet af hebben, dus er kan
best nog wel eens een verbinding ontbreken. Als je dat ontdekt , laat het ons dan
weten.
De bedrading maak je nadat alle delen mechanisch zijn bevestigd, óók de
voorkant , maar niet de synthesizer.
Die monteren we pas nadatalle bedrading aan de voorkant zit. Met de hierboven
beschreven manier van montage kun je overal bij en kun je alle draden gemakkelijk
afpassen op de juiste lengte. Met de voorkant op zijn plaats kun je heel gemakkelijk
alle draden aanbrengen tussen de aansluitingen op de voorkant en de printen in de
behuizing.
De complete bedradingvan de transceiver is onder te verdelen in zeven groepen.
1. De +24 volt van de stekker op de achterkant via de s chakelaar naar de
stabilisators
2. De bedrading tussen de twee grote printen in het kastje
3. De bedrading tussen de voorkant en de printen
4. De bedrading van en naar het bovendeksel
5. De bedrading van de bandenschakelaar, junctionprint en bandenfilter
6. De bedrading naar de controlbox
7. De afgeschermde HF verbindingen
De bedrading kun je maken naar eigen inzicht. Het gaat er maar om dat er een
verbinding wordt gelegd tussen punten die met elkaar doorverbonden moeten worden.
Zoals eerder gezegd kun je de bedrading het beste maken met soepel draad. Dat is
ruimschoots voorhanden in oude computerkabels. Neem zoveel mogelijk verschillende
kleuren dan raak je niet in de war.
We geven een aantal aanwijzingenbij de zeven bovengenoemde groepen.
De stekker op de achterzijde
· De 24 voltbegint bij de stekker op de achterkant. Neem hiervoor een wat
dikkere draad. Dan herken je die goed in een draadboom.
· Op de foto van de stekker aan de achterkant zie je dat er een filterin ser ie
staat met de +24 volt. Dat zorgt er voor dat er bij zenden zo weinig mogelijk
HF via de 24 volt leiding in de transceiver komt. Het is een eenvoudig pi-filter
dat bestaat uit twee condensatoren van 220 nF en een 5 µH spoeltje (het
grote) uit de omzetter met een parallelweerstand van 100 Ohm.
· Neem op de stekker voor de plus het linker contact en voor de minhet rechter.
Dat is als je aan de achterkanttegen de stekker kijkt. Zo zit het ook bij de
omzetters en dan heeft iedereen dat hetzelfde.
· Voor de plus en de min gebruiken we twee conta ctenvan de stekker, dat
vergroot de zekerheid van een goede verbinding. Dus links en rechts zijn twee
contacten van de stekker doorverbonden. De min van de voeding moet aan de
massa ,dus de behuizing,en je kunt hem o nder de rechter bevestigingsschroef
vastmaken. Da armoet een goede verbinding tot stand komen, dus maak die met
een soldeerlipje en een kartelring achter het kopje van het M3 boutje aan de
binnenzijde.
· Het filter zit tussen de linker plus contacten, en één van de conta cten naast de
min functioneert als draadsteun. Daarvan gaat de 24 volt draad door een
gaatje ,en tussen de twee printen door , naar de aan/uit schakelaar op de
voorkant en vandaar naar de stabilisatoren.
· De twee condensatoren kun je monteren aan de aardschroef, ze moeten óók
goed aan de behuizing zitten.
De bedrading tussen de twee grote printen in het kastje
· Van de spanningsrail op de VFO print gaan 12 volt verbindingen naar de SSB
print. Er zijn meerdere aansluitingen. Maak ze met zo kort mogelijke draden
maar laat geen draden over HF-gevoelige plaatsen lopen. Maak ze dan wat
langer en leg ze een eindje om.
De bedrading tussen de voorkant en de printen
· Bij het bedraden zit de voorkant op z'n plaats maar de de synthesizerprintis
nietgemonteerd.Zie ook bij bevestiging bandenschakelaar.
· Er zijn veel verbindingen van beide printen naar de voorkant. De draden lopen in
het midden tussen de printen door en gaan door het vierkante gat van de
behuizing naar de voorkant. Ze verbinden de betreffen de aansluitpunten op de
printen met de schakelaars en potmeters op de voorkant.
· Voor service doeleinden hoeft de voorkant er niet meer af, dus je kunt de
bedrading direct op de goede lengte maken. Ze hoeven niet extra lang te zijn
maar maak ze ook niet te kort.
· De + 12 volt gaat naar verschillende aansluitingenvan de schakelaars en naar de
synthesizer. Je sluit die bij de VFO aan op de spanningsrail en je kunt ze
doorlussen. De schakelaars hebben oogjes dus daar kun je gemakkelijk twee
draadjes door stekenen ze dan solderen. Dat geldt natuurlijk ook voor de
diverse massaverbindingen. Die kun je op verschillende plaatsen op de printen
aarden. Let op dat de aansluitingen van de schakelaars altijd tegengesteld zijn
aan de stand van het schakelarmpje.
· De voeding voor de display komt met tweedraden van de displayvoeding. Hij
loopt over de bovenkant van het deksel. De aansluitingen voor de aansturing
zijn ook tweedraden. Ze zitten aan de betreffende + en -op de VFO print. Let
op dat er nog een c'tje op de print van het display moet.
· De meteraansluitingengaan naar het schakelprintje. WAARSCHUWING! Sluit
de meter nog niet aan .Doe dat pas later nadat je heel zeker bent dat er geen
verkeerde spanning op komt of dat er een sluiting in de bedrading zit. Daardoor
zou je de meter kapotkunnen maken. Het beste kun je eerst met een andere
meter controleren of de stroom de 100 µA niet overschrijdt .
· Datzelfde geldt voor de afstempotmeter , beide zijn dure componenten!
· Voor de power-LEDmoet je een serieweerstand monteren. Als je voedt met 24
volt is 4K7 voldoende en als je meer licht wilt kun je die wat kleiner maken.
Voor 12 volt voldoet 2K2. Zie ook de LED bevestiginghierboven.
· De draden voor de LED’s gaan naar de betreffende punten op de printen. De
"Fine-Tune" LEDnaar de VFO print, De TX LEDnaar de +TX en de power LED
via een weerstand naar de gewone + 12 volt. Let op dat je waar nodig ook de
massa verbindt.
· Om de + en min van de LEDte vinden probeer je dat met een weerstand van
4K7 in serie op een voeding. Doe dat nooit zonder weerstand want dan geven
ze maar heel kort , maar wel héél veel , licht!
· Op de foto's zie je ook het begin van de kabelboompjes .Het geeft een idee
hoe je die uit kunt voeren.
De bedrading van en naar bovendeksel
· De schakelprintheeft de meeste aansluitingen en is daarom aan de voorkant
gemonteerd . De kant met de meeste aansluitingen wijst naar het midden zodat
je daar later de draden tot een kabelboompje kunt samenbinden. Let op! Doe
dat samenbinden het laatste , als alles werkt , want ti jdens het in bedrijf
stellen bewegen de draden meermalen en kunnen afbreken. En dat gebeurt
sneller als ze vast zitten in een kabelboom.
· Van de schakelprintgaan draden naar de VFO-en SSB-print onder in het
kastje. Dat zijn een +12 volt, de +RX en de +TX.Ze gaan eerst naar de voorkant
en buigen door het vierkante gat waar vroeger de stekker zat, naar de
betreffende aansluitingen op de prints. Let op de lengte!
· De +12 volt komt van de spanningsrail en die kun je aan de bovenkant
doorlussen. Eerst naar de schakelprint, dan naar de VCO, de band enfilters en
de displayvoeding.
· De +RX en +TX moet je twee keer bevestigen aan de schakelprint want één
draad gaat naar de SSB print, de andere naar het bandenfilter. Daar zijn
soldeeroogjes voor , maar die kun je ook gemakkelijk zelf maken. Buig een oogje
aan een stukje blank montagedraad. Zet dat in de print met het oogje aan de
bovenkant . Daar kun je dan de twee draadjes in en aan monteren. Let op dat je
die draden ook lang genoeg laat zodat je beide modulengemakkel ijk loskunt
maken en omkerenvoor als je eens aan de onderkant er van moet meten of
solderen.
· Nogmaals, let op dat er altijd een massaverbindingblijft. Dit alles is niet echt
moeilijk maar je moet er wel even goed bij nadenken.
· De VCOligt achter de sch akelprint en heeft vijf aansluitingen.
· De regelspanningaansluiting naar de synthesizer is gevoelig voor brom -en HFoppikken. Daarom maken we die met afgeschermd Teflon coax. Bovendien geeft
dat een goede massaverbinding tussen VCO en synthesizer.
De bedrading van de bandenschakelaar, junctionprint en bandenfilter
· De bandenschakelaar zit met een bundeltje draden aan de vierkante
aansluitingen op het junctionprintje. Bij de montage hiervan moet je goed
opletten dat de standen van de schakelaar overeenkomen met de juiste
aansluitingen op het printje. Maar de lay -outtekening is op dit punt heel
duidelijk.
· Filter 1, 160 meter is het filter dat het dichtst bij de junctionprint zit
· Maak draden van de juiste lengte zodat je het deksel kunt opklappen en de
synth esizerprint kunt los maken.Dat kun je uittesten door één draad te
monteren. Er is ook een foto op de website , van de losgenomen
s ynthesizer print.
· Op de foto van het bandenfilter zie je dat de aansluitingen van het
junctionprintje naar de filters, door een gaatje van 5 mm in het blik gaan, en
dan naar de aansluitpunten van het filter. In het blikgaatje zit een stukje kous
o.i.d. om de draden niet te laten beschadigen door de scherpe blikrand.
· Als je die nog niet gemonteerd hebt, zorg er dan voor dat de recht opstaande
weerstanden van 56 Ohm,die de filters aan-en uitzetten, een lang draadje
hebben aan de onderkant van de print. Daaraan kun je dan de aansluitingen van
de draden naar de junctionprint solderen.
De bedrading naar de controlbox
· Deze gaat in hoof dzaak van de SSB print naar de andere stekker op de
achterkant. De aansluitingen staan op het schema van de control -box.
· Je hebt de controlbox voor de eerste luisterproeven nietnodig .Als je alleen
de luidspreker aansluit kun je luisteren. De andere aansl uitingen zijn "in's en
out's" die je nog niet nodig hebt. Het CW filter kun je op de voorkant
uitzetten. Zie ook verderop bij het item luisteren.
· Belangrijk! De luidspreker heeft twee aansluitingen naar het IC TDA7052A.
Die mogen nietgeaard of aan massa gelegd worden! Een van de twee
aansluitingen gaat naar de schakelaar op de voorkant zodat je de luidspreker
aan en uit kunt zetten. De koptelefoon is ook op één van de uitgangen van het
IC aangesloten en het spreekt vanzelf dat die in de controlbox op de ni et
geschakelde uitgang aangesloten moet worden.
De afgeschermde HF verbindingen
· Dezezijn allemaal uitgevoerd met Teflon coax.Ze zijn op het
bedradingschema aangegeven met een rondje en massa. Op de foto's (website)
zie je een paar voorbeelden van coax verbindingen.
· DeTeflon coax kun je gemakkelijk aansnijden met een mesje maar neem dat
niet te scherp want dan snij je ook de draadjes van de afscherming door. En
door die allemaal te vertinnen maak je een goede massa. Die is even belangrijk
als de binnenader!
· Vergeet niet de massa van elke coaxkabel aan beide kantenzo kort mogelijk bij
het aansluitpunt te aarden. Er is altijd wel een massapunt vlak in d e buurt. Dat
kan b.v. de massa aansluiting van een IC, een weerstand of van een condensator
zijn.
· Bij de bevestiging van de coaxkabels aan de synthesizer kun je niet zonder
meerde massa aan de print bevestigen. Je moet eerst een draadje om de
afscherming draaien en vast solderen. Dan kun je dat draadje op een
dichtstbijzijnd massapunt aarden. Er zijn twee foto's van. Deze manier van
bevestigen van de coax kun je natuurlijk ook op andere plaatsen toepassen.
· Maak de coax kabels zo goed mogelijk op de juiste lengte, niet te lang en niet
te kort. Anders komen er van die grote lussen in en bovendien heb je dan
m isschien niet genoeg coax.
DE VOEDING VOOR DE TRANSCEIVER.
Het is zeer belangrijk dat de schakelingen in de transceiver gevoed worden met
stabiele en schone spanningen. Dat geldt zeker voor de VFO. Daarom worden alle
schakelingen gevoed uit stabilisatore n die direct, dus zonder kabelcontacten of
stekkers ,met de schakelingen verbonden zijn. Daardoor hebben slechte contactenof
spanningsval in de verbinding tussen het externe voedingsapparaat en de transceiver
geen invloed op de gevoelige schakelingen omda t die verbinding vóór de stabilisatoren
zit.
Wèl moet het voedingsapparaateen hogere spanning leveren en bij gebruik van
normale 12 volt stabilisatoren, zoals hier, moet die minstens 15 volt zijn om goed te
werken.
De enige voorwaarde voor het voedingsa pparaatis een bromvrije spanning, hij mag
best een paar volt variëren. Een goede ringkern trafo van ca 18 volt met een
gelijkrichtbrug en een elco van minstens 4700 µF is voldoende.
De reden voor het gebruik van 24 volt als voedingsspanning voor de trans ceiver is, dat
de banden VCO zo'n 16 tot 20 volt nodig heeft. Anders zou je aan ca. 16 volt bij 0,5
ampère al genoeg hebben. Daardoor heb je wel een wat hogere dissipatie in de
stabilisatoren en dat geeft wat meer warmte in het kastje. Maar de koeling is ruim
voldoende door demontage van de stabilisatoren.
Een bijkomend voordeel van deze manier van voeden is dat de transceiver nu
ongevoelig is voor voedi ngsspanning veranderingen. Die maggerust volts op en neer
gaan.
Je zou voor de VCO ook een omzetter ku nnen maken, net zo iets als voor de display.
Het hoeft maar ca. 3 tot 5 mA te leveren. Als zo'n ding dan ook twaalf volt geeft kun
je die boven op de bestaande 12 volt zetten. Die spanning moet wel heel goed schoon
zijn omdat eventuele rommel uit zo'n omzetter op de regelspanning van de VCO kan
komen. Dus niet op 50 KHz of zo iets laten "fluiten" .Maar gelukkig houdt de op-amp
in de synthesizer wel veel "rommel" tegen. (60 dB)
Voorlopig genoeg hierover. Als er mensen zijn die serieus naar 12 volt willen om de
transceiver op accu's te kunnen gebruiken, kunnen we hier later nog wel eens verder
over discussiëren. Maar dan moet er nog wel wat geëxperimenteerd worden.
Je kunt eerst een aparte 24 volt voeding bouwen voor de transceiver. Maar realiseer
je dat er o ok nog een voeding voor de eindtrap nodig is. Die twee kun je elektrisch
niet combineren maar ze wel alle twee in één behuizing bouwen. Ik heb daarvoor twee
omzetterkastjes op elkaar gemaakt.
SCHAKELINGEN DIE TOELICHTING BEHOEVEN.
-De SSB/CW ontvanger bandbreedte schakeling op de SSB print
De "normale" bandbreedte van de ontvanger is ca. 2,1 KHz. Hij wordt bepaald
door het SSB filter. Voor telegrafie kan de bandbreedte verkleind worden met
een extra filter in de vorm van een Q- multiplier tussen de eerste en tweede
MF versterker. Zie Electron, september blz 373. T5 vormt samen met de
resonator QZ2 de Q-multiplier. Met de varicap BB102 verstemmen we de
resonator en dus de filterfrequentie. De twee spoeltjes L60 en L61 vormen met
de koppellusjes een trafo otje. In het schema van de SSB printzie je bij T5 op
het knooppunt van R75 en R76 een aansluiting die heet "+ bij SSB ".Met een
spanning op dat aansluitpunt schakelen we de bandbreedte en zetten we de Qmultiplier aan of uit. Die spanning komt van de schake laar "IF Wide/ Narrow" op
de voorkant. Als die 12 volt geeft is de Q- multplier uitgeschakeld en wordt de
selectiviteit alleen bepaald door het SSB filter (Wide). Dan is T5 uitgeleiding
en zijn de varicap CD1 en de diode D62 ingeleiding en langs die weg gaat het
MF signaal naar de tweede MF versterker. Schakel je nu dat punt naar massa,
dan gaat T5 geleiden en CD1 krijgt een tegenspanning en werkt als varicap. Met
een spanning uit de controlbox regelen we de versterking van T5 en daarmee de
selectiviteit, d at heet U-piek. Een andere regelspanning komt op de varicap en
daarmee regelen we de frequentie van het filter, dat heet U-tune.
- De koppellussen.
De twee spoelen L60 en 61 zijn door koppellussen aan elkaar gekoppeld.
Hierdoor ontstaat een eenvoudige tra fo (zie de foto's ). Het maakt natuurlijk
niets uit of dat met de 330 of 470 µH spoeltjes gebeurt. De koppellussen
bestaan uit 6 windingen geïsoleerd Posijn koperdraad van 0,2 of 0,3 mm. Je
kuntdat het beste als volgt monteren. Wikkel eerst een koppellus o p het
midden van elk spoeltje vóórdat je ze monteert. Laat de draadjes zo'n drie cm
lang en twist die om elkaar. Monteer nu de spoeltjes en bepaal de lengte van de
draadjes zodat je de lusjes met elkaar kunt verbinden. Knip de draadjes op
lengte, vertin de uiteinden en verbind daarna de koppellusjes met elkaar. Maak
de draadjes niet te kort, dat heeft HF technisch geen enkel nut. Houd er
rekening meedat je misschien de aansluitingen moet omkeren als de faze niet
klopt en de koppeling verkeerd is. Dan werkt de Q-multiplier, dus het filter
niet.
- De keuze van de gewenste zijband.
Die gebeurt door de draaggolf oscillator. Staat die boven de filterdoorlaat dan
heb je lage zijband en staat die onder het filter dan heb je hoge zijband. Zie
ook Electron, septe mber, blz.370, Fig.7. Maar de uitgangsmixer keert de
zijband om (Electron september) en het uitgangssignaal heeft weer lage
zijband. Bij schakelaar S2 staat dus de goede zijband situatie voor het
uitgangssignaal .Lees voor het beredeneren van USB en LSB het verhaal over
de draaggolf oscillator in INFO 4er nog eens op na. Daar zie je dat de DO op
de lage frequentie staat als de schakelaar S2 gesloten is. Dan heb je op 455
KHz de hogezijband en dat geldt ook voor 10,7 MHz.
Een eenvoudige verklaring voor hetomkeren van de zijband door het mengen is
de volgende: Als de frequentie van het te mengen signaal lager wordt (LSB) en
de mengoscillator staat daarboven in frequentie, dan wordt het verschil groter
(6-4=2,6-3=3,3=méér dan 2). Dus dat geeft een hogere frequentie (USB) voor
hetuitgangssignaal van de mixer.
Voor het veranderen van zijbandschakelen we de draaggolf oscillator op een
frequentie onder of boven de filterdoorlaat. Daardoor ontstaat een
frequentieveranderingvan ca. 3 KHz (per definitie is de frequentie van de
onderdrukte draaggolf de frequentie van een SSB signaal).Daardoor verandert
ook de ontvangst frequentie en de zendfrequentie 3 KHz. Dan moet je
bijstemmen en de display geeft een verkeerde frequentie aan. Om dat te
voorkomen corrigeren we de VFO frequentie met 3 Khz in tegengestelde
richting. Nu staat er in het SSB schema een tekenfout bij S2. Niet het linker
contact van de schakelaar gaat naar de VFO maar het rechter contact dat niet
getekend is.
De frequentiecorrectie van de VFO
Die doen we door de afstemspanning te veranderen en daarvoor dienen P2 en
R35 in het midden van het VFO schema. R35 zit aan het rechter contact van
schakelaar S2 dus als die sluit wordt de spanning lager. Die verandering komt
via IC8 -2 op de + ingang van IC2-2, die inverteert niet en de VFO volgt die
spanning. De VFO frequentie gaat ook omlaag.
Bij omschakelen van zijband verschuift de DO ca. 3 KHz dus de VFO frequentie
moet net zoveel in tegengestelde richting veranderen en dat stel je in met P2.
Staat de schakelaar S2 op het schema van de SSB print naar links dan is T15 in
geleiding en werkt de DO op de lage frequentie. Schakelen we S2naar rechts
dan gaat de DO omhoog maar dan trek je tegelijkertijd de afstemspanning van
de VFO naar beneden, dus de VCO frequent ie wordt lager. De hoge frequentie
van de DO wordt nu gecompenseerd door de lagefrequentie van de VFO. Met
P2 maak je de frequentieverschuiving van de VFO gelijk aan die van de
draaggolf oscillator, ca. 3 KHz. Dus de frequentie op 10,7 èn de
uitgangsfrequ entie blijven hetzelfde, alleen de zijband keert om .
De automatische zijband omschakeling, AZO.
Tijdens het controleren van het bedradingschema ontdekten we dat ik de
schakeling voor de automatische zijband omschakeling vergeten ben. Die
schakeling zorg t er voor dat bij de overgang van 10 MHz automatisch de
zijband verandert van lage naar hoge zijband of omgekeerd.
De informatie daarvoor komt uit de matrix via D19 en 20 en daarop staat bij
USB + 12 volt. De AZO moet er dus nog bij en de schakeling daarvoor met een
XOR poort kwam van ON9BOG. De XOR vervangt S2 in het schema en de
schakelaar keert dan de werking van de XOR om. Piet zal er snel een printje
voor maken. Het kan als een soort opzetprintje gemonteerd worden op de
spanningsrail van de VFO print. Waarschijnlijk heb ik eind van de week de IC's
binnen zodat het gelijk met de andere zaken volgende week opgestuurd kan
worden. De mensen die niet kunnen wachten op het printje en schakelingetje
voor automatisch omschakelen kunnen voorlopig gewoon de scha kelaar op de
voorkant aansluiten, dan kun je de zijband manueel omschakelen.
FOTO'S
Eén foto zegt meer dan duizend woorden en kennelijk is dat ook zo. Want
iedereen vraagt om foto's. Nou, Freek en ik hebben er weer een boel gemaakt,
en ze staan op de webs ite . De foto's laten de totale constructie van de
transceiver zien met een aantal details, ook van de bedrading . De komende
weken zal de voorraad foto’s op de website regelmatig worden aangevuld.
HET IN BEDRIJFSTELLEN VAN DE COMPLETE TRANSCEIVER
Er zijn vast mensen die de hele transceiver bijna af hebben. Hopelijk hebben
de bovenstaande beschrijvingen er toe bijgedragen dat binnenkort de eerste
geluiden geproduceerd worden. Maar we willen ook daarbij toch nog een paar
hintsgeven.
Als alles gemonteerd is wacht dan nog even metde spanning er op zetten en
doe nog wat extra controles. Meet eerst met de Ohmmeter of er geen
kortsluitingen zijn in de bedrading. Dat betreft natuurlijk ten eerste de 24-en
12 volt circuits en het metercircuit.Maar meet ook nog eens op willekeurige
plaatsen op de printen op punten die niet aan massa mogen liggen. Als je de
bovenstaande montagemethode gevolgd hebt kun je overal gemakkelijk bij.
Neem ook nog even de tijd om te controleren of alle IC's goed op hun plaats
zitten. Ook een laatste check van de bedradingmoet uitgevoerd worden. Je
moet hier mee wellichtje geduld op de proef stellen maar misschienvoorkom je
daarmee een rampje. Dan mag de spanning er pas op.
Gebruik een beschermdevoeding waarvan je de stroombegrenzingkunt
instellen. Als alles goed is trekt de hele transceiver in de ontvangststand
ongeveer 400 mA bij24 volt.
DE EERSTE LUISTERPROEVEN
Als je de modulen apart getest hebt en alles klopt moet de ontvangerwerken
en kun je luisteren. Met de luidspreker aangesloten, zoals aangegeven bij de
bedrading van de controlbox, moet er minstens ruis uitkomen als je de
volumeregelaar opdraait. Sluit een antenne aan op de ontvangeringang op het
bandenfilter dan moet je op diverse banden radioamateurs horen.
Ik wil nogmaals opmerken dat je niet eerst de hele controlbox hoeft te maken
om de eerste luisterproeven te doen, want behalve de luidspreker heeft de
controlbox een aantal in -en uitgangen die voor de eerste proeven niet van
belang zijn. De meestezijn alleen nodig bij het zenden.
Als je nietshoort maar de stroom is goed controleer dan eerst nogeen keerde
luidsprekeraansluitingenen de verschillende spanningen, en controleer of de
+RX op de betreffende punten aanwezig is.
Dan de plussen aan de voorkant zoals die o p de volumeregelaars voor
laagfrequent en hoogfrequent. Zo zijn er nog een heleboel dingen te
controleren. Daarover zal er wel een volgende infobrief komen n.a.v. reacties.
We zijn benieuwd, laat het ons horen als je wat hoort.
DE EERSTE ZENDPROEVEN
Beknopte info
Om te zenden heb je de controlbox wèl nodig. Controleer of de RX / TX
omschakeling werkt en er geen sluiting is in de +TX leiding. Controleer diverse
spanningen. Je moet de Push To Talk naar massa schakelen.Er is nog geen
zend/ontvang omschakeling voor de antenne. Let op dat er bij gebruik van een
externe eindtrap niet te veel energie op de ontvangeringang komt.
Met de beperkte stroom in het kleine eindtrapje komter ongeveer 100 mW uit
want de grote eindtrap heeft maar ongeveer 25 mW nodig. Als je meer power
wilt moet je meer stroom in het eindtrapje laten lopen door R18 te verkleinen.
Controleer die als je R18 verkleint. Bij ca. 200 mA haal je zo'n 300 mW maar
dan worden de transistoren behoorlijk warm als je lang zendt.
ALS LAATSTE, DE OMZETTERS
Er zijnnog mensen die geen omzetters hebben. Om mij een hoop zoekwerk en
dus tijd, te besparen vraag ik die mensen om ons a.u.b. nog één keer een mailtje
te sturen. Vermeld daarin hoeveel omzetters je wilt. Ik verstuur ze in
pakketten van 7 stuks. Dat is ca. 10 Kg en dat kost €20,00.
73van Jan en ons allemaal.