Algemene bouwaanwijzingen

 

Veiligheid

Gebruik tijdens het grovere werk altijd veiligheidsmiddelen.

  • Bij boren kunnen splinters rond gaan vliegen. Gebruik een bril.
  • Zet het werkstuk bij boren vast. Wie kent het niet: even iets boren en het werkstuk in de hand vast houden. Even later heb je een pleister nodig. En het ergste is dat je een poosje allerlei zaken niet goed vast kunt houden…
  • Let op, dat je dat vijl- of schuurstof niet inademt. Het bevat glasvezeldeeltjes en zal niet gezond zijn. Afzuigen met een stofzuiger en/of gebruik van een mondkapje wordt aanbevolen.
  • Werk van je af. Als je dan eens uitschiet, ploft het niet onverhoeds ergens pijnlijk in je lijf. De XYL blijft niet lopen met die pleisters!
  • En ik denk dat we allemaal wel weten, waar het hete eind van de soldeerbout zit… J!

 

De SSB-trx II

Toelichting op ontwerp, werking en de printen staat in Electron.

2002: 8/328; 9/367; 10/430; 11/481; 12/520.

2003: 1/14, 2/68, 3/113

De beschrijving in Electron is gemaakt van en met het prototype van de transceiver. Daarmee zijn de grote lijnen aangegeven maar een aantal details verschillen. Ook de foto's in Electron zijn gemaakt van het prototype. En het zijn de details die belangrijk zijn bij het bouwen. Gebruik daarom de info van de website Die schema's en  printlay-outs komen met elkaar overeen.

 

Een paar belangrijke tips:

  • Realiseer je dat je aan een groot project begint.
  • Leg je zelf de nodige discipline op.
  • Ga niet lichthartig te werk! Neem de tijd!
  • Maak ruimte in je shack of een plaats op je tafel waar je gaat bouwen!

 

MAAK VOOR JEZELF EEN GOEDE INVENTARISATIE.

BEWAAR ALLE INFORMATIE IN EEN MAP!

 

Pas op dat de componenten van de verschillende delen niet door elkaar raken! Haal de componenten uit de plastic zakjes en berg ze op in doosjes. Boterpotjes lenen zich er heel goed voor om de componenten, per print of printen, op te bergen. In het pakketje van de voorkant zitten ook een heleboel ringetjes en moertjes. Berg die per type op in een doosje of een plastic doos met vakjes. Dan raken ze niet weg en het vergemakkelijkt het terugvinden als je ze straks moet gebruiken.

 

HET PAKKET BESTAAT UIT DE VOLGENDE DELEN EN LOSSE COMPONENTEN.

  • De ALU VOORKANT en de STICKER die op die voorkant geplakt moet worden.
  • De
  • Een 100 µA METER en een
  • Drie BLIKKEN DOOSJES voor de bandenfilters, de banden VCO en de controlbox.
  • Alle WEERSTANDEN, diodes 1N4148 en BAS45 (BA423) en de condensatoren 22N en
  • 100N (Die zijn voor de hele transceiver als bulk bij elkaar gevoegd).
  • Vijf SUBPAKKETJES MET ONDERDELEN voor de printen.
  • Een pakketje met COMPONENTEN VOOR DE VOORKANT en
  • Een stukje TEFLONCOAX en een stukje VD draad.
  • Twee TWAALF STANDEN SCHAKELAARS.
  • Vijf POTMETERS en de TIEN SLAGEN AFSTEMPOTMETER.

INDELING EN (HERKENNING) VAN DE SUBPAKKETTEN.

 

(De componenten van 3 en 4 en 7, 8 en 9 zijn in één zakje samengevoegd!)

  1. De SSB processor. (SSB filter.)
  2. De VFO. (3 oranje MKT C’s en een Xtal.)

3 en 4. De synthesizer en de bandenoscillator. (Het grote HEF 4750 IC.)

  1. De bandenfilters. (Veel spoeltjes.)
  2. De junction-print. (Alleen printje.)

7, 8 en 9. De schakelprint, controlbox en de displayvoeding. (Veel elco's.)

  1. De voorkant en controlbox. (Knoppen en schakelaars. )

 

ALGEMENE INFO OVER COMPONENTEN.

In het pakket vind je componenten in vele soorten en maten. Maar een aantal componenten moet je uit de omzetters halen. Dat zijn de 4059, 7812, BFR96, BST72, BFQ34 en de blauwe 20TURN POTMETERS. Eventueel de BSX20 als je die te kort komt (Ik weet even niet of ik iets vergeet, zo ja, dan SRI !)

 

De waarde van de nieuwe componenten is soms moeilijk af te lezen. Dat geldt speciaal voor de kleine condensatoren. Gebruik een loep en als je de waarde hebt vastgesteld schrijf het er dan met een fijn potlood duidelijk op of berg condensatoren met dezelfde waarde op in doosjes waar je dan de waarde opzet.

Nog een paar opmerkingen:

  • De BA423 zijn de kleine diodes en ze heten APH 45. Het zijn BAS45 en gelijk aan de BA423.
  • BFW20 is BFW10. (De BFW10 heeft vier pootjes, de BSX20 heeft "maar" drie pootjes).
  • De BST70A is de BST72A, alleen een andere spanning. Ze komen uit de oude omzetters.
  • De weerstanden van 47 Ohm zijn 56 Ohm. Dat geld ook voor alle andere 47
  • Ohm weerstanden
  • De gele blokjes zijn de resonators CSB 455 E en het driepootje is een filter
  • SFU 455 A.

Componentencodering.

  • 101 is een 10 met één 0, dus 100 pF
  • N10 is 0,1 nF dus ook 100 pF
  • 103 is een 10 met drie nullen dus 10 000 pF of 10 nF
  • 152 is 15 met twee nullen dus 1n5 of 1500 pF
  • 224 is 22 met vier nullen, dus 220 000 pF of 220 nF

De kleurcode van trimmercondensatoren.

  • Grijs is 5 pF
  • Geel is 10 pF
  • Blauw is 15 pF
  • Groen is 22 pF
  • Paars = 40 pF

 

Posijndraad en povindraad.

Ergens in de tekst heb ik deze twee begrippen door elkaar gehaald. Posijndraad kun je direct solderen. Door de warmte van de bout verbrandt de isolatie en kun je het koperdraad direct vertinnen. Voor de spoeltjes van de twee VCO's is  posijndraad geleverd.

 

 

15K = 10K + 4K7

Omdat ik geen weerstanden van 15K heb, zijn hiervoor twee weerstanden van 10K en 4K7 geleverd die je in serie moet zetten. Je zet ze allebei rechtop in de print en verbindt de bovenkanten door.

 

Voor de 5 pF TRIMMER in het bandenfilter is een 10 pF, geel geleverd.

 

DE BB112 op de SSB print is een component die nog moeilijk te leveren is. Ik heb daarvoor de KV1236 kunnen vinden. Als die er bij zit, zit hij op een papiertje met de aansluitingen aangegeven. Twee BB909's doen hetzelfde, alleen heb je dan een grotere spanningszwaai nodig maar dat laten de serieweerstanden aan de potmeter gemakkelijk toe. Hierover later meer.

 

DE BB909 in de banden VCO is er ook niet meer. Maar daarvoor is er een SMD vervanger, de BBY42. Als die er bij zitten zijn ze op een printje gemonteerd.

 

NIET in het pakket zitten de componenten links van de stippellijn op de schakelprint. Ze horen bij de eindtrap.

 


MONTAGE VOLGORDE.

Als je nog moet beginnen, kun je het beste deze volgorde aanhouden:

  1. Inventariseren en per deel opbergen.
  2. De mechanica in orde maken.
  3. De printen in de behuizing passend maken.
  4. De printen ‘bestukken’.
  5. De printen testen op kortsluitingen en waar mogelijk de werking beproeven.
  6. De printen inbouwen.
  7. De hele transceiver bedraden, ook de voorkant.
  8. Alles controleren en in werking stellen.

Voor deze volgorde is een aantal logische redenen.

De meeste afregelingen en controles kunnen pas gedaan worden als de printen ingebouwd zijn. Dan zijn de spanningstabilisatoren gemonteerd. Je hebt dan dus een goede 12 volt spanning tot je beschikking. Bovendien wordt via de massabevestigingen in de behuizing ook een aantal massaverbindingen op de printen gemaakt. Hierdoor ontstaan ook stabiele verbindingen en dat geldt zeker voor de HF-verbindingen. Niet zelden ontstaan er door een provisorische opbouw problemen waar je dan lang naar zit te zoeken. Ze zijn meestal opgelost als de print ingebouwd zit zoals het hoort. Je kunt na 7 ook gemakkelijk alle functies instellen met de schakelaars en potmeters op de voorkant. Dat vergemakkelijkt het in bedrijf stellen.

HERHALING: Controleer na 7 alles op kortsluitingen en gebruik een beschermde voeding bij 8!

 

In de totale informatie over de bouw volgen we de bovenstaande indeling. In deze tekst vind je de punten 1, 2, 3 en 4 in algemene zin.  Je vindt op elders deze website gedetailleerde beschrijvingen van de afzonderlijke printen met hun werking, bouw en afregeling (punten 4 en 5). Punt 7, de bedrading heeft ook een eigen beschrijving gekregen, net als punt 8, de ingebruikname.

  1. Inventariseren

 

  • Geleverde componenten

Componenten zijn echt wel stevig gemaakt en gaan niet gauw kapot, maar er is toch een aantal punten waar je op moet letten bij het monteren.

 

  • De condensatoren.

De steek is de afstand tussen de draadjes en hij is gedefinieerd in afstanden van 0,1  inch. Dus steek 1 is 0,1 inch, steek twee 0,2 inch enz. Met Europese waarden is die 2.5, 5 of 10 mm. Zo is de steek van de componenten op de print door die waarden bepaald. 100 nF condensatoren hebben steek 2 en de meeste kleine keramische condensatoren hebben steek 1. Een enkele keer, zoals op het displayvoeding printje, staan er 100nF condensatoren met steek 1. Soms is op de print rekening gehouden met beide mogelijkheden. Steek hem wèl in de goede gaatjes!

Het gebeurt, dat er geen componenten zijn met de juiste steek. De leverancier levert ze dan wel met de goede waarde maar met een andere steek. In die gevallen moet je dus de aansluitdraden verbuigen naar de goede steek. Doe dat voorzichtig met een tangetje of een pincet. Ze breken niet snel af maar toch. . .

Doe heel voorzichtig met de multi-layer condensatoren zoals de blauwe 22nF condensatoren die als bulk geleverd zijn. Als je die wat ruw behandelt, kunnen ze kapot gaan. Die multi-layers zijn eigenlijk SMD condensatoren waarbij aan de zijkant een draadje gesoldeerd is. Van diezelfde soort zitten er heel veel in de omzetters maar dan zonder draadjes. Je kunt de draadjes het beste ombuigen met twee tangetjes, waarbij je met één tangetje het draadje vlakbij de condensator vasthoudt en met het andere tangetje buigt. Want als je alleen de condensator vasthoudt kan het draadje bij de condensator afbreken. Je mag je een dergelijke condensator nooit geforceerd in de print duwen. Dan staan de draadjes onder spanning en als je hem dan soldeert springen de aansluitingen los! Laat ze minstens 1mm boven de print "hangen". Duw ze er nooit in als de steek niet overeenkomt! Sommige condensatoren hebben een bochtje vlak bij de component. Dat zit daar niet voor niets!

 

  • De weerstanden.

Dat is de SFR25 reeks van Philips, die hebben de duidelijkste kleurcode. Er zijn enkele waarden als precisieweerstanden bijgevoegd omdat SFR25 niet leverbaar was. Ze hebben een andere kleurcode. Meet ze na als je niet zeker bent. De weerstanden zijn als bulk geleverd. Ze zijn in aantallen afgerond naar boven, dus je hebt er altijd een paar over. Als je de kleurencode niet goed beheerst, meet ze dan na en schrijf de waarde op de papierstrookjes waarmee ze aan elkaar bevestigd zijn. Dat geld ook voor de mensen die kleurenblind zijn. Maar ook voor mensen die wel goed kleuren onderscheiden is het soms moeilijk. 12 Ohm, 1K-10K en 1k2-8k2. 33 en 330 OHM, rood, rood, zwart of bruin.

 

  • Statisch gevoelige IC's.

De SL6440 en de LF353 IC's zijn enigszins gevoelig voor statische elektriciteit. Ze zitten in de pakketjes in zilverpapier of in een antistatisch gootje. Behandel ze voorzichtig, zet ze als laatste in de print, net als alle andere IC's!

IC VOETJES. Als je ze hebt en je wilt het, mag je natuurlijk IC voetjes gebruiken. Dat heeft nergens effect op de werking van de schakelingen. Het vergemakkelijkt natuurlijk het uitwisselen als er iets mis gaat. Maar vanuit een zeer uitgebreide ervaring weet ik dat zoiets eigenlijk nooit gebeurt. Ook in de SSB-1 transceiver waar nog veel meer componenten  in zaten gebeurde dat nooit. Daarbij werden de printen wèl uitgebreid gecontroleerd vóórdat er spanning opgezet werd. Zie ook de info Ingebruikname.

 

  • Teflon coaxkabel.

De Teflon coax dient voor de HF verbindingen tussen de betreffende delen van de transceiver. Teflon kabel kan je gewoon solderen. Het smelt niet. Als je het niet kent, haal er dan eens een stukje buitenmantel af en probeer eens hoe het soldeert en experimenteer er wat mee. Bij de plaatsen waar het gebruikt wordt krijg je nog wel info hoe dat moet.

1.6.         De afstempotmeter.

Die is 50K, dat geeft een wat hogere resolutie. De weerstanden aan de boven- en onderkant van de potmeter worden nu 10K.

1.7.         De gewone potmeters.

Er zijn verschillende soorten potmeters met verschillende lengtes schroefdraad. Bepaal daarmee of je wel of geen ringetje(s) nodig hebt. Zie hoofdstuk 2, Mechanisch

 

  1. Mechanisch

 

  • De behuizing.

Vóórdat je de printen en alle andere componenten kunt monteren moet de mechanica in orde zijn en daar moet je mee beginnen. De foto op blz. 433 in Electron Oktober 2002 van geeft je daarbij de nodige aanwijzing. Doe dat, als proef ZONDER de sticker, dan kan die niet beschadigen! Je ziet dat de randen van de gaten in de alu voorkant nogal scherp zijn, dat komt   door het frezen. Je kunt die naar eigen inzicht natuurlijk wat "ontscherpen" met een zoetvijltje.

  • Maak twee lengtes M6 draadeind van 9 cm in orde
  • Verwijder de bramen na het zagen.
  • Bevestig daarmee de alu voorkant aan de behuizing. Nu zie je hoe je de afstand kunt instellen.
  • Doe overal M6 ringetjes tussen, dat vergemakkelijkt het vastzetten en losmaken. Zet alles niet te vast, dat is nog niet nodig. Je kunt de voorkant nu heel gemakkelijk weer losmaken door de twee dopmoeren los te draaien.

De afstand tussen voorkant en behuizing moet ca. 5 cm zijn, want als de eindtrap er bij komt moeten de moeren, van de bevestiging er van, vrij zitten van de print.

 

"Servicability"

Dat is een mooi woord dat bij de hedendaagse elektronica bijna vergeten is. Ik denk aan de stress van elke radioamateur die zijn gekochte transceiver open maakt als hij kapot is.

 

Alle delen van de transceiver moeten gemakkelijk toegankelijk zijn.

 

Bij het ontwerpen van deze zelfbouw transceiver stond dat boven aan de verlanglijst en ik denk dat die wens is uitgekomen. Zie de foto's.

Bij de montage van de bedrading moeten we zowel aan de onderkant als aan de bovenkant van de printen kunnen werken en de we weten uit ervaring leert dat het belangrijk is dat je overal gemakkelijk bij kunt. En het kan ook gemakkelijk zijn bij de afregeling. Nu zitten de afregelpunten wel op de componentenzijde aan de onderkant en die op het bovendeksel aan de bovenkant dus je kunt er al gemakkelijk bij. Maar als je moet foutzoeken of metingen doen mag de bedrading niet onderbroken worden. En dat is ook voor later als je ooit nog eens

wat aan de printen moet doen. Hopelijk komt dat niet voor, maar je weet maar nooit en je moet er nu rekening mee houden. Dezelfde argumenten gelden ook voor de bedrading. Om overal gemakkelijk bij te kunnen, óók bij een werkende transceiver, hebben we een constructie bedacht waarmee we het bovendeksel verticaal kunnen monteren. Daarvoor gebruiken we de alu strippen waarmee later de eindtrap boven de transceiver bevestigd wordt. Ik heb die strippen alvast gemaakt en gemonteerd (zie de foto). Het zijn twee alu strippen van 100 x 15 x 2 mm. Voor de bevestiging van de eindtrap aan de transceiver zijn daarin zijn 6 mm gaten geboord. Die zitten op 80 mm uit elkaar dus 10 mm van elk eind van de strip. Voor het verticaal vastzetten van het bovendeksel zijn op de juiste plaatsen in beide strippen ook 3 mm gaatjes geboord. Die plaatsen zijn bepaald door de plaats van de bestaande gaten in het deksel, dus rechts zit het lager dan links. Aan de strips zijn in de 3 mm gaatjes stukjes draadeind van 3 mm bevestigd. Hieraan kun je nu  gemakkelijk het deksel in een verticale stand monteren. Voor het vastzetten van het deksel gebruiken we de busjes waarmee in de omzetters de synthesizerprinten zijn bevestigd. Die zijn gemakkelijk met de hand los en vast te draaien en zo kun je heel gemakkelijk het deksel in de verticale stand vastzetten.

Een belangrijk voordeel van deze methode is ook, dat je nu de hele transceiver

werkend op haar kant kunt leggen waarbij je een goede toegankelijkheid hebt tot bijna alle delen. Als je dan ook nog aan de bovenkant moet zijn, bijvoorbeeld om een trimmer in het bandenfilter af te regelen hoef je alleen maar het deksel van dat betreffende doosje te nemen. Als je later de eindtrap monteert kun je het rechter M3 draadeind laten zitten. En als je voor het linker draadeind een extra gaatje in de strip boort kun je het daar "bewaren". Dan raakt het nooit zoek.

 

  • Opbouw front
  • Neem de twee twaalfstanden schakelaars en zaag de assen af tot 18mm lengte, gemeten vanaf het voorste randje van de schakelaar.
  • Stel de 100KHz schakelaar in op 10 schakelstanden d.m.v. het ringetje met het nokje. De bandenschakelaar kan alle standen doorlopen.
  • Doe de kartelring er weer op en draai de moer "handvast" op de schroefdraad, Ze hebben dus dezelfde volgorde zoals ze zaten.
  • Draai nu ook de afstandmoer er handvast op.
  • Zet de twee schakelaars op de print, let op welke waar zit, en soldeer ze met één verbinding, het moedercontact, vast aan de print. Zorg dat ze recht op de print zitten!
  • Als je nu de schakelaars aan de voorkant wilt bevestigen zul je zien dat de gaten in het alu iets te klein zijn, de schroefdraadbus past er net niet in. De gaten moeten ca. 0,1 mm groter gemaakt worden met een ruimer of een vijl.
  • Nu kun je de schakelaars en print monteren met de bijgeleverde gekartelde ringen aan de voorzijde van de voorkant. Doe de bolle kant van die ringen naar voren en draai de bussen met de hand zo goed mogelijk aan. Bij de definitieve montage zetten we het goed vast.
  • Nu kun je ook enkele van de andere componenten van de voorkant, zoals de schakelaartjes, de potmeters, de meter en de display voor de proef monteren, de schakelaartjes met de zeskantige moertjes. Als je de siermoertjes hebt draai je die eerst op de schakelaar en daarna zet je de schakelaar vast met het moertje aan de achterkant. Dus bij de definitieve montage, als de sticker er opzit, monteer je eerst alle tumblerschakelaartjes.
  • De potmeters hebben lange schroefdraad en moeten drie mm naar achter gemonteerd worden anders steken de knoppen te ver naar voren. Maak daarvoor van het meegeleverde VD draad twee koperen ringetjes van 10 mm diameter en monteer die achter het aluminium. Zie fig. 1 Maak de assen van de potmeters op lengte en monteer voor de proef eens 1 of 2 knoppen.

 

Figuur 1

 

  • Bij het display zul je zien dat het gat iets te klein is. De hoeken in het alu zijn rond. Je kunt dat oplossen door, of de hoeken vierkant te vijlen, of het plastic van het display iets af te snijden.
  • Duw het display er voorzichtig in, hij past heel precies en help de nokjes door ze met een schroevendraaier in te drukken. Anders gaan ze kapot op de scherpe rand van het aluminium. En dat geldt zeker als je het display er weer uithaalt!
  • Monteer ook de tien slagen potmeter en maak de knop in orde zoals verderop is beschreven.

 

  • Het vastzetten van de bandenschakelaars.

Het is lastig om de 10 mm busjes met schroefdraad, die de schakelaars aan de voorkant vastzetten, met een tang vast te houden. Oorspronkelijk was hiervoor een inbussleutel bedoeld maar die kan bij onze toepassing niet gebruikt worden. Ik heb nu aan de voorkant van de busjes twee platte kanten gevijld. De busjes zijn gemaakt van messing dus het is erg gemakkelijk af te vijlen. Daarbij zet je de busjes in de lengterichting in de bankschroef. Het ziet er uit als een O met twee, tegenover elkaar liggende platte kanten. Er is een foto op de website waarop je dat kunt zien. Nu kun je het busje met een combinatietang aan de voorkant vasthouden terwijl je  de moer aan de achterkant vastdraait. Je kunt nu gemakkelijk de synthesizerprint monteren, nadat je de overige bedrading aan de voorkant gemonteerd hebt

 

 

 

 

  • De knoppen.

De vijf met schroef- en klembevestiging zijn bedoeld voor de potmeters en de schakelaars op de voorkant en de twee andere voor de potmeters op de control-box. Door het faillissement van onze eerdere knoppenleverancier moesten we andere (duurdere) knoppen kopen. Dat heeft consequenties voor de moer-afdekkapjes en de indicatie. De pijlpuntjes zijn iets te groot voor de letters en cijfers op de sticker. Maar je kunt de puntjes er (eventueel naar wens) heel gemakkelijk afsnijden met een scherp mesje. De knopdeksels hebben een indicatiestreepje. Om het iedereen naar de zin te maken krijg je ze in twee kleuren, zwart en lichtgrijs zodat je kunt kiezen.

Het VD draad dient om ringetjes te maken die tussen de potmeters en de achterkant van de voorkant gemonteerd kunnen worden. Twee ringetjes per potmeter, anders steken ze te ver naar voren. Zie fig. 1

 

  • De afstemknop

Deze bestaat uit twee delen die op elkaar gelijmd moeten worden. Zoals je ziet, zitten er midden in de knop drie vleugeltjes en een plastic ringetje die de klemkracht op de potmeter-as verzorgen. Eén knop is uitgeboord tot 6,4 mm. Hij moet gemakkelijk passen op de as van de 10- slagen potmeter want er is nauwelijks kracht nodig om de potmeter rond te draaien. Bovendien moet de knop op de as slippen als je hard tegen de stuitnok van de potmeter draait. Het asje van de potmeter heeft aan de voorkant geen borgring. Als je tegen de as drukt wordt die kracht overgebracht op de achterkant en als je erg hard op de as drukt kun je de achterkant er afdrukken. Ook daarom moet de knop er gemakkelijk op en afgaan! Het kunststofringetje dat de vleugeltjes tegen de as drukt zit pas vast als de knop op de as zit. Maar het kan los komen als je de knop op de as drukt. De knop zit dan los en rammelt, ik heb dat al een keer meegemaakt. Dat is heel vervelend want je kunt er niet meer bij omdat de twee knoppen aan elkaar gelijmd zijn. Dat moet je dus voorkomen en je moet het ringetje vastzetten maar zodanig dat het nog wel zijn verende functie blijft uitoefenen. Er zijn een paar manieren om dat te doen. Je kunt een druppeltje tweecomponentenlijm tussen één vleugeltje en het ringetje laten lopen. Maar het risico is dan dat twee vleugeltjes aan elkaar plakken en dan is de veerkracht weg of de knop zit scheef. Ook kan de lijm na verloop van tijd losraken omdat de knop altijd enigszins beweegt. Een betere manier is om het te doen met een draadje en de soldeerbout. Zet daarvoor de knop vast, bijvoorbeeld in een bankschroef. Neem nu een stukje blank montagedraad. Smelt dat met de soldeerbout door één van de vier schotjes en buig het om. Span het dan over het ringetje maar naast het vleugeltje naar het tegenoverliggende schotje en smelt het ook daarin vast. Er komt een foto van. Bij de ongeboorde knop, heeft het ringetje geen functie meer en moet je het er uitnemen. Als je dat niet doet begint de knop na verloop van tijd te rammelen!

Lijmen van de knop. Maak eerst de randen een beetje ruw met een vijl en gebruik tweecomponenten lijm. Smeer op beide randen lijm en druk de twee helften op elkaar. Doe dat nauwkeurig want anders zit je de rest van je leven tegen een scheve knop aan te kijken! Als hulp daarbij kun je de twee knoppen op de nog niet afgezaagde lange as van de twaalf standen schakelaar schuiven.

 

  • De LED’s.

Ik kon jammer genoeg geen 3 mm led’s krijgen en zij zijn dan ook iets kleiner dan de gaatjes. Achter de gaatjes zit een stukje printplaat met eilandjes waar de leddraadjes aan gesoldeerd zitten. Dat printje zit met tweecomponentenlijm vast aan het aluminium.

 

  • De bevestiging van de LED's aan de voorkant.

Wil Brinkman heeft hiervoor een mooie constructie bedacht en er een foto van gemaakt die we op het Web zetten. Hij heeft het gedaan met gaatjes print, dat is prima maar als je dat niet hebt kun je ook gewoon printplaat gebruiken. Hij heeft het bevestigd onder de schakelaars maar je kunt een dergelijk klein printje ook met twee-componenten lijm aan de achterkant van de voorkant plakken. Een ander idee is om een printstripje van b.v. 6-8 mm breedte met de juiste lengte te maken. Daarop zaag je een benodigd aantal eilandjes en die plak je met tweecomponentenlijm onder de gaatjes van de leds. Dan heb je aansluitpunten en daar kun je dan de draadjes van de LED’s aan solderen. Dan kun je de LED’s mooi in het gaatje positioneren en eventueel vastlijmen.

Mocht er ooit een LED kapot gaan dan kun je hem gemakkelijk vervangen waarbij het printje kan blijven zitten. Maak een extra eilandje voor het weerstandje bij de power-LED.

 

  • De voorkant en de sticker.

Nu alles pas is kan de sticker erop. Je moet eerst het aluminium ontvetten met wasbenzine of iets dergelijks! Er zijn twee methodes om de sticker op de alu voorkant te plakken. Lees het volgende eerst een keer door zodat je het begrijpt!

 

Methode 1.

  • Neem een stukje glad, hard piepschuim, wat groter is dan de sticker. Als het piepschuim te zacht is neem dan ander materiaal waar spelden goed in vast blijven zitten, bijv. kurk of zacht hout.
  • Leg daarop de sticker met de tekst naar boven.
  • Leg dan op de sticker het alu en positioneer dat nauwkeurig. Je kunt dat goed zien als je van boven recht door de gaten kijkt.
  • Prik nu twee spelden aan de bovenkant en twee aan elke zijkant naast de rand van het alu. De gaatjes in de sticker leggen de positie van alu en sticker nauwkeurig vast en die gebruiken we bij het plakken.
  • Schuif nu het alu tussen de spelden uit naar je toe en kijk hoe daarmee de positie van het alu bepaald is. Herhaal die handeling een paar keer zodat je het weet en verwijder alles.
  • Trek nu het papier van de achterkant van de sticker en leg hem met de tekst op het piepschuim, dus de plakkant naar boven. Zorg dat hij mooi vlak ligt.
  • Prik nu de spelden in dezelfde gaatjes van de sticker. De spelden geven daarmee de positionering van het alu.
  • Schuif nu het alu tussen de spelden vlak boven de sticker en positioneer alles nauwkeurig.
  • Laat het alu voorzichtig op de sticker vallen. Eerst aan de voorkant zodat je goed ziet dat hij nauwkeurig op zijn plaats komt. Nog niet aandrukken!
  • Verwijder nu de spelden, neem het geheel op en kijk tegen het licht van een lamp of de sticker exact goed op zijn plaats zit. Als dat niet het geval is kun je de sticker voorzichtig en rustig er weer aftrekken en doe je de positionering opnieuw.
  • Als hij goed op zijn plaats zit mag de sticker vastgedrukt worden. Daarvoor trek je hem nog eens voorzichtig los en rolt of schuift hem nu vast op het alu. Dat kun je het beste doen met een rolletje of een liniaal met een wat ronde kant. Pas op dat er geen scherpe kant aan zit, dat maakt krassen op de sticker! Gemakkelijk daarbij is dat het geheel vast op de tafel ligt, bijv. tegen een plankje of met een klem. Het kan zijn dat er luchtbelletjes op zichtbare plaatsen zitten. Prik er dan in met een speld en wrijf de lucht er uit. Als ze achter knoppen of meters zitten hoef je je er niet druk over te maken.
  • Als de sticker goed op het alu zit kun je alle gaten met een scherp mes uit het plastic snijden. Je snijdt dan met het mes tegen de scherpe kant van de gaten in het alu.
  • De zijkanten van de sticker kun je wegsnijden of omvouwen, maar vouw ze eerst maar om, je kunt ze altijd nog afsnijden.

 

Methode 2.

Ik raad die niet aan, je kunt hem proberen op eigen risico. Ik weet niet of het op den duur het aluminium aantast. Men gebruikt hem ook om stickers op auto's of grote andere oppervlakken te plakken. Maar dat is meestal niet voor langdurig en het is op verf.

  • Los een paar druppels afwasmiddel op in wat water.
  • Bevochtig hiermee het alu aan de goede kant.
  • Trek het papier van de sticker en plak die op die natte kant.
  • Nu kun je de sticker verschuiven tot hij exact goed zit en je kunt gemakkelijk de luchtbelletjes weg wrijven.
  • Laat het geheel een paar uur drogen en de sticker zit vast.
  • Als dat echt niet lukt of je ziet het niet zitten, neem dan over drie weken telefonisch contact met me op.

 

  • De achterkant.

Je bent geheel vrij om die op je eigen manier te bewerken. Ikzelf heb wit stickerpapier geplakt op de bruine Philips sticker. Maar die sticker kun je er ook aftrekken en er een aluminium plaatje op maken. Misschien zijn er nog andere mogelijkheden, laat ze eens horen.

Dan blijven de stekkers op de achterkant nog over. Zaag die af van een gesloopte print, laat de print er gewoon aanzitten, dat soldeert gemakkelijk. Zoals je ook ziet op de foto's (website) zijn de stekkers verticaal aan de achterkant bevestigd. Op dezelfde foto kun je goed zien hoe ze aan de achterkant van de behuizing met M3 boutjes en moertjes gemonteerd zijn. Ze zitten ca. 1 cm van de achterkant en hier kun je natuurlijk ook M3 draadeind voor gebruiken.

Het aansluiten van de 11 polige stekkers. Daarbij kun je gemakkelijk een sluiting maken. Een paar mensen, waaronder ikzelf, is dat overkomen. Doordat er printsporen aan beide kanten van de print lopen kan daar gemakkelijk een draadje van de 24 volt tegenaan komen. Opgelet dus!

 

  • De onderdeksel.

Het onderdeksel is het belangrijkste want daar rust de hele transceiver op! Uw  schrijver veroorlooft zich hier het maken van een niet technische zijsprong, het herinnert mij aan een aardige anekdote. Toen er bij koningin Wilhelmina tijdens haar zwangerschap van Juliana, een opmerking gemaakt werd over haar stevige (dikke) benen antwoordde zij: "Die moeten wel heel sterk zijn want daar rust de hele dynastie op!". Het is nuttig om er eerst voetjes aan te zetten dan schuurt het niet op de tafel. Zie de foto op de website. Dat gaat erg goed met plakvoetjes maar nog beter met stootdopjes zoals die vroeger aan Wc-brillen zaten. Dat zijn stevige poten, die kun je met schroefjes monteren en ze zitten dan veel beter vast. Plakvoetjes laten nogal eens los, zeker als je het kastje vaak heen en weer schuift. Monteer drie pootjes, twee aan de voorkant en één aan de achterkant, dan staat de transceiver altijd recht. De componentenzijde van de printen wijst naar beneden.  Daar zitten de afregelpunten waar je nog wel eens bij moet. Tijdens de bouw moet  daarom het onderdeksel een aantal keren verwijderd worden, zet het daarom  voorlopig eerst maar met twee schroefjes vast. Gebruik hiervoor M3 kruiskop, die kun je gemakkelijk vast- en losmaken. Zie daarvoor ook weer de foto van het prototype in Electron, oktober 2002, blz. 433 en de nieuwe foto's van nu op de website.

 

Wie ontwerpt er een kastje en kan dat (laten) maken?

 

 

  1. Printen in de behuizing

 

  • Algemeen

Hierbij zal wat vijlwerk moeten gebeuren. Zoals eerder gezegd, wees voorzichtig met het stof. In plaats van vijlen kun je eerst met een geschikte blikschaar wat wegknippen en met een vel schuurpapier (nummer 100 of grover), dat op de vlakke tafel is vastgeplakt met tape, de randen gladschuren. (leg de zuigmond van de stofzuiger dicht in de buurt. Hopelijk heeft die een toerenregeling, dan heb je niet zoveel last van het lawaai). Met mooi weer kun je het ook buiten doen…

 

De printen pas maken voor de behuizing. Doe dit vóórdat je gaat bestukken! Die zijn gemaakt als één grote printplaat en moeten losgebroken worden. Ze zitten nog maar op een paar plaatsen vast en je kunt ze gemakkelijk afbreken, bijvoorbeeld op de rand van de tafel. De printen van SSB en VFO moeten passend in de behuizing gemaakt worden vóórdat je ze gaat ‘’bestukken’’. Bekijk hoe dat moet door print en behuizing bij elkaar te houden en in elkaar te passen. De randen moeten ongeveer één mm afgevijld worden zoals de lijntjes op de componentenkant aangeven. Dat hoeft niet bij de kanten die naar elkaar wijzen. Let op dat je geen spoortje weg vijlt! De sleufjes aan de zijkanten waar de verticale paaltjes van de behuizing zitten moeten iets vergroot worden zodat de print er gemakkelijk in gaat. En er moet een gaatje aangepast worden. Bij het passen zie je direct welk gaatje. Het wijst, denk ik, zichzelf maar Piet, PE1PYK, maakt er ook nog E-mail info over.

 

Door een wat veranderde productiemethode is helaas meer vijlwerk nodig dan voorzien.

  • Wij rekenden met een frees van 3 mm om de printen van elkaar te scheiden, maar de leverancier gebruikte een 1 mm exemplaar zoals je kunt zien.
  • Gelukkig staan de buitenste randen van de printen opgedrukt en deze maten kunt u ongeveer aanhouden.
  • De Schakelprint, de Displayvoeding-, Controlbox-, en de Synthesizer-Matrixprint vereisen geen nauwkeurige maat en kun je zo laten, op de breekrandjes na.
  • Voor wat betreft de VFO- en de SSB-print, die zijn het lastigst en moeten aan 3 zijden pasgemaakt worden.
  • De zijde die naar het midden van het kastje wijst kun je zo laten, met dien verstande, dat de +rail nog contact met massa maakt bij de VFO-print. Links en rechts met een babyzaagje het spoortje weghalen dat door de wat grotere rand is ontstaan. Met de sporenzijde en de schroefgaten naar u toe ligt die +rail linksboven. Controleer met een ohmmeter of de sluiting is opgeheven.
  • Zoals u wel merkt, zijn de halfronde inkepingen ook te klein geworden en die moeten met een ronde vijl pas gemaakt worden.
  • De pilaartjes in het kastje, waar de halfronde inkepingen omheen vallen, hebben een braam. Die kun je beter even met een vijltje bewerken.
  • In de VFO-print is nog een productiefout geslopen: bij de 7812 spanningsregelaar IC 14 zijn een paar isolatielijntjes weggevallen. De buitenste twee pootjes liggen daardoor aan massa.
  • Helaas, buiten onze schuld, moeten er twee onderbrekingen worden ingefreesd. Het buitenste pootje komt aan de elco en het binnenste pootje alleen aan het gaatje waar het te monteren draadje in komt. Het mooiste gaat dat met een tandarts-freesje in een boormachientje, maar met een scherpe kraspen en een liniaal kom je er ook. Met een loep en een ohmmeter controleren

 

  • De printen in de omzetters.

(Nadat je ze passend gemaakt hebt! ). We gebruiken een "nieuwe" omzetter met de Torx-schroeven. Helaas is in dat opzicht de tekening op bladzijde 113, Electron maart 2003, niet goed. Die is gemaakt met "oude" omzetters. Bovendien is daar de onderste behuizing, waar de transceiver in zit, 180 graden gedraaid. De foto's op blz. 433 Electron oktober 2002, zijn goed. Gebruik voor de bevestiging de originele Torx-schroeven. Dat zijn zelftappende schroeven en die hebben extra slip waardoor ze zeer goed vast zitten. Let op dat je de schroeven niet scheef in de schroefdraad draait. Er zijn M3 veerringetjes meegeleverd om de massa van de printen goed te verbinden met de behuizing. Dat is zeer belangrijk voor de werking van de transceiver, zoals uitgebreid in Electron is beschreven!

Tussen print en behuizing komt bij elk schroefje een veerringetje!

Zet eens voor de proef één schroefje vast om te zien hoe vast je hem moet draaien. Hij moet zo vast gedraaid worden dat de lak van het soldeermasker weggedrukt is door het veerringetje. Je moet dan in de doorgedrukte gaatjes het koper zien.

Een OM merkte op dat sommige massa's niet doorverbonden zijn op een losse print. Dat klopt, die liggen pas aan massa als de print in de behuizing, daarvoor dienen de veerringetjes!


 

  • De printen in de blikjes.

Zie Electron, maart 2003, blz. 114.

De printen pas definitief in de blikjes vast solderen als je ze bestukt hebt!

De printen met de soldeerrand moeten precies pas worden gevijld. Eerst doosjes in elkaar zetten natuurlijk. De Junctionprint hoeft alleen aan de soldeerkant vlak met het koper gevijld te worden

 

De print zit halverwege tussen boven- en onderkant van de blikjes. De DVC's zitten halverwege tussen print en onderkant (Bekijk dat ook eens met de deksels er op). De printen geven aan waar de DVC's zitten, bijv. bij een +RX of een +TX. Er zijn verschillende mogelijkheden om de gaatjes te boren. Iedereen heeft zo zijn eigen methode. Je kunt het doen in de blikrandjes vóór de montage van de print of er na. Ik doe het altijd als de print er in zit want dan is de plaats van de DVC's gemakkelijk vast te stellen en de blikrandjes zijn gesteund door de print. Maar het is wel wat lastiger om de gaatjes te centeren. • Zet om te het boren het doosje in de bankschroef en boor voorzichtig, de boor loopt er zo uit.

  • Boor gaatjes van 3,5 mm dan gaan ze er gemakkelijk in. Soldeer de DVC's rondom vast.
  • Als je de DVC's in het blik zo dicht mogelijk bij de betreffende eilandjes op de print monteert, kun je ze, na de montage door de aansluitdraadjes van de DVC's naar de eilandjes toe te buigen zo met elkaar verbinden. Of monteer er een dun draadje tussen.
  • Gebruik voor het solderen minstens 400 graden, bij de Weller Magnastat is dat stift no. 8.
  • PAS IN HET BLIKJE SOLDEREN ALS DE PRINT BESTUKT IS!!!

 

 

Ook de BNC's van het bandenfilter zitten op dezelfde manier tussen print en onderkant. Monteer de BNC voor de zender zo dicht mogelijk bij het "PA uit" eilandje. Dat is bijna het midden van die korte kant. Monteer de BNC voor de ontvanger zo dicht mogelijk bij het eilandje aan C14, dat is aan de linkerkant van de korte kant. Aan de andere korte kant komt in het midden ook nog een gat van ca. 5 mm. Dat dient voor doorvoer van de schakeldraden van het junction-printje naar de filters

 

  • Het XOR printje

Dit is zo gemaakt dat je het kunt monteren op de spanningsrail op de VFO print. De twee gaatjes voor de plus zitten even ver uit elkaar als die aan het begin van de rail bij de stabilisatoren. Als je er een paar blanke montagedraadjes in soldeert kun je het printje haaks op de VFO print monteren. Let op dat er een 47K pulldown weerstand op zit.

 

  1. Bestukken

 

  • Omgaan met de onderdelen

De onderdelen, die heel vaak voorkomen, bijvoorbeeld de weerstanden, worden niet per print gesorteerd, maar aangeleverd voor het gehele project. Om vergissing te voorkomen, zou het wel handig zijn elke weerstandrits van een geschreven waarde te voorzien op de papierstrook. Gebruik hier bij voorkeur watervaste stift.

Het verschil tussen bijvoorbeeld 12 Ohm en 1K Ohm is op het eerste gezicht niet zo groot, wel de waarde! Soms is een 4-rings code gebruikt en dat geeft ook vergissingen. Meet ze door als je niet zeker bent.

Het is ook makkelijker om de weerstanden te verdelen in waardes, b.v. beneden 100 Ohm bij elkaar, tot 1K bij elkaar enz. Vergemakkelijkt het zoeken. Doe ze in doosjes. (Jan gebruikt er tafelmargarine doosjes voor, die kun je nog afsluiten ook!). Sommige keramische condensatortjes hebben een moeilijk afleesbare waardeopdruk. De schuld ligt bij Philips. Met een scherp potlood aan de andere zijde de waarde opschrijven maakt het makkelijker de C te vinden en later op de print bij eventueel fout zoeken makkelijker te onderscheiden. Voor het lezen van die opdruk moet je een goede loep bezitten. Hier brengt de meetbrug voor C’s en L’s (bouwkit) van Kent Elektronics uitkomst. Echt een aanrader. Werkt met een microprocessor, dus(?) nauwkeurig, ook voor lage waarden vanaf 1pF.

 

Statisch gevoelige IC’s.

In de pakketjes vind je twee IC's (de SL6440 en de LF353) en FET's (BF981) die enigszins gevoelig zijn voor statische elektriciteit, behandel die volgens de daarvoor geldende regels. Plaats alle IC's en FET's als laatste op de print!

 

  • Het "bestukken" zelf

Vanuit de ervaring, opgedaan met de SSB-1 transceiver weet ik dat de belangrijkste oorzaak voor het niet functioneren van een schakeling ontstaat bij het monteren. De meest voorkomende oorzaak van problemen was dat componenten niet goed vast gesoldeerd zaten en dan vaak aan één kant. Of er zaten componenten op verkeerde plaatsen, bijvoorbeeld een weerstand van 1 K en een van 10 K omgewisseld, of een condensator van 10pF en 100pF omgewisseld. En zo zijn er veel voorbeelden te noemen. Ook kwam het nogal eens voor dat er bij het solderen kortsluitingen gemaakt waren tussen eilandjes en sporen. Ik raad je dus aan om elke soldeerverbinding met een loep te controleren! Dat kost je nu wat extra tijd maar het bespaart je lang zoekwerk bij het in bedrijf stellen. Bovendien kunnen door verkeerd geplaatste componenten, IC's, transistoren of diodes kapot gaan! De meeste "ongelukken" gebeuren als je je gaat haasten. Je hebt bijvoorbeeld een hele avond aan een print zitten bouwen en je wilt die dan ook nog even gauw proberen. Doe dat dus liever niet! Ga eerst naar bed, controleer de print de volgende dag nog eens rustig en ga er dan voorzichtig spanning op zetten. Zie daarvoor bij voeding, hieronder.

 

Fouten dien je zo veel mogelijk te voorkomen, dus eerst controleren vóór het solderen.

 

Er zijn gaatjes op de printplaten, die niet worden gebruikt, let daar op. Op de lay-out zit daar dan ook geen onderdeel.

 

 

Werk systematisch!

 

Je begint het makkelijkst aan de linkerkant en steeds niet meer dan 3 of 4 onderdeeltjes tegelijk. Zoek eerst de onderdelen voor, zeg, een strook van 2cm van linksaf bij elkaar, want te veel onderdelen is niet handig. Je zoekt anders te lang tussen weerstanden met kleurcode. Ook voor iemand met ruime ervaring,

want de weerstanden worden steeds kleiner en zijn soms met het blote oog al slecht te lezen.

Zet de onderdelen er ook op zonder openblijvende ruimtes. Het voorkomt "opgeschoven" onderdelen.

Er is niets op tegen en alles voor te zeggen om weerstanden consequent op dezelfde manier te monteren. Alles, ook andere onderdelen afleesbaar maken vanaf onder of van rechts. Staande weerstanden de eerste ring altijd boven. Op dezelfde wijze als in technische tekeningen. Daar zijn maten in mm altijd van onderaf en van rechts leesbaar. Het is altijd handig, in geval van fout zoeken, om dat op een print ook te doen. Liggende weerstanden altijd van onderen of van rechts leesbaar monteren. Op de figuur is dat ook gedaan.

 

Probeer ook eens een stuk 1 cm dik schuimrubber, hierdoor blijven de onderdelen ook op zijn plaats. Dunne huishoudsponsjes met aan een zijde van dat groene schuurmateriaal voldoen, uiteraard met de groene zijde naar de tafel gericht.

 

Zet eerst de IC's op de print** en soldeer alleen de gebruikte aansluitingen. De niet gebruikte steken door een soldeerrondje zonder aansluitingen. Zou hij er weer uit moeten om wat voor reden ook, dan gaat dat iets makkelijker.

Zet folietrimmers, staande potmeters en eventueel elco's er later pas op. Monteer de staande weerstanden en spoeltjes zoals aangegeven, dan hinderen ze elkaar niet.  Bij het opzetten in de print, de draden iets naar buiten buigen, om er weer uitvallen te verhinderen. Dus niet verder uitbuigen dan nodig. Ik doe het, door de draad strak te trekken en hem “iets” te buigen bij het printoppervlak Ook al weer om demontage makkelijker te maken.

**Behoudens elektrostatisch gevoelige typen als de LF353 (versterker op VFO print), de 6440 (mixer, op de SSB print) en de FET's (BF981). Nu hebben de IC's geen CMOS ingang, maar toch…

 

 

4.2.1 De montage van de FET's en het insolderen.

Let er op dat deze transistor in enkele gevallen op zijn kop op de print moet komen! De tekst in dat geval dus naar de print toe. Dit is gedaan om in deze gevallen de source goed te kunnen aarden. Voor de SSB-processorprint zijn dat de ingangs- en uitgangsversterker en de twee MF versterkers. Dus T1, T2, T3 en T4. De BF981 in de AGC versterker zit normaal.

Op de tekening zijn deze transistors verschillend weergegeven. Als een open rondje of een zwart massief rondje. Dit is gedaan, omdat je dan de sporen op de printtekening kunt zien, die onder de transistor door lopen. Bij de massieve loopt er geen spoor onder.

De gate van een FET is in principe zeer hoogohmig. Als de spanning tussen de gate en het substraat een bepaalde waarde overschrijdt treed er overslag op. En er hoeven maar enkele elektronen over te springen en de FET is kapot. Dat is zeker het geval met Gaas-Fet's waarvan ik er al heel veel gemonteerd heb met een uitvalspercentage van ca. 10%.

De BF981's zijn "beschermde" FET's. Die bescherming bestaat uit diodes die parallel aan de gate-aansluitingen staan en inwendig op het substraat "meegebakken" zijn. Die diodes begrenzen de spanning tot een veilige waarde. Maar die diodes kunnen ook maar een bepaalde stroom hebben en als die wordt overschreden gaat de FET toch kapot en dat gebeurt meestal bij het insolderen. Zet de FET's er het laatst in als alle andere componenten gemonteerd zijn want de weerstanden in de schakeling zorgen er dan voor dat er geen grote spanningen meer op de gates kunnen komen. En als de FET's eenmaal op hun plek zitten kan er niets meer gebeuren.

Neem de bekende voorzorgen bij het insolderen en dat begint bij de soldeerbout. Als die direct met de 230 volt verbonden is wees dan extra voorzichtig! Verbind in ieder geval de massa van de bout, dat is het metalen deel waar de stift in zit, met de massa van de print zodat er nooit een spanningsverschil kan ontstaan tussen de bout en het te solderen punt.

Maar denk er ook aan dat bij het solderen de print of het kastje nergens anders mee verbonden is dan alleen met je soldeerbout! Want als bijvoorbeeld het metaal van de bout verbonden is met de randaarde van het stopcontact en de print hangt aan een voeding die niet geaard is, kan er best een flink spanningsverschil zijn tussen print en bout! En er kan ook een spanningsverschil zijn tussen de min van de voeding en de randaarde. En waar je misschien ook niet aan denkt, is dat elke soldeerbout, of hij nu een trafo heeft of niet, altijd capacitief met het lichtnet verbonden is. Controleer met een digitale meter of er een spanningsverschil is. (Een digitale meter heeft een hoge ingangsweerstand.)

Het verdient verder aanbeveling, de FET's pas te plaatsen wanneer de betreffende weerstanden eromheen al aanwezig zijn. Eventuele statische spanningen worden dan afgevoerd.

 

Résumé: Op het moment van insolderen mag de losse print, of de print in het kastje niet met een ander elektrisch apparaat verbonden zijn. 

Dat geldt ook als je iets moet vervangen of repareren in de buurt van de FET's.

Als je een soldeerbout op batterijen gebruikt verbind dan toch ook de bout maar met de print om zeker te zijn.

 

Als een FET echt goed kapot is versterkt hij helemaal niet en reageert er niets. Vaak zit er dan een sluiting tussen de gate en de source of de drain. Het kan zijn dat hij dan te veel of te weinig stroom trekt. (Uit ervaring weet ik dat zo'n Fet ook nog half kapot kan zijn. Meestal trekt hij dan te veel stroom en kan nog oscilleren op een willekeurige, soms zeer hoge frequentie.)

Hoewel de BF981 goed is beveiligd, is het toch een CMOS type met zeer hoge ingangs-impedantie en daarom gevoelig voor statische ladingen

 

 

FOTO'S

Eén foto zegt meer dan duizend woorden en kennelijk is dat ook zo. Want iedereen vraagt om foto's. Nou, Freek en ik hebben er een boel gemaakt, en ze staan op de website. De foto's laten de totale constructie van de transceiver zien met een aantal details, ook van de bedrading.

 

Succes met de bouw!

 


De SSB print

 

Bouwaanwijzingen

 

1.    Algemeen

  • Positie van de print is: bevestigingsgaatjes naar boven. Denk aan de veerringetjes bij montage in de omzetterkast!
  • De condensator aan het rondje gemerkt AGC, midden-links van de print, staat niet op het schema en is daarom ook niet geleverd.
  • De serieschakeling van een weerstand met een condensator tussen pin 12 en 14 van IC1 weglaten, staan ook niet op schema. Dit is de tweede verticaal geplaatste C van links onder de 6440 en de R die er tegenaan ligt.
  • Ook de weerstand onder C10 kan er uit.
  • C65 niet monteren.
  • De kleinste diode is de schakeldiode BA423, de iets grotere is de 1N4148. De BA423 kan een vervanger hebben: BAS45 en die is ook kleiner dan de 1N4148. Met een goede loep (die je beslist moet hebben) kun je de diodeopdruk lezen.
  • Let op dat je de BF981 op de SSB print goed monteert. T1, T3 en T4 moeten op hun kop gemonteerd worden! De aansluiting met het nokje is de source. De lange is de drain. Zie ook verderop in de tekst.
  • De source van T2, de zenderversterker BF981 moet nog aan massa verbonden worden.
  • R96 bij de laagfrequent transistor T10 is op de print kortgesloten, de kortsluiting wegkrassen.
  • C112 en 113 zijn 3,3 µF. Dat maakt de AGC wat trager en de ontvanger wat rustiger.
  • In het schema zie je op zes plaatsen spoeltjes van 330µH. Die zitten ook in de meeste pakketten maar in een aantal pakketten zit 470µH. Er is dan een andere waarde van capaciteit nodig om de kring in resonantie te krijgen. Dat betreft de drain-kring van T4 met L62 en C74 en die van T9 met L110 en C118. Die twee condensatoren worden dan 270 pF en die vind je dan ook in het pakketje.
  • C153 moet 2n2 zijn.
  • Van T12 moet de source worden verbonden met de andere componenten: het knooppunt R136/D131.
  • Ongewenst oscilleren van de laagfrequent versterker TDA 7052. Dat komt door C98, 22nF. Niet monteren! Waarom ik die er ingezet heb weet ik niet meer.
  • De keramische filters, 10,7 MHz en 455 KHz.
    De 10,7 MHz filtertjes hebben een rode stip, maar het maakt niets uit hoe je ze monteert. Dat geld ook voor de gele 455 KHz filters. Monteer ze zo dat je altijd het typenummer nog kunt lezen.
  • Er staat in het SSB schema een tekenfout bij S2. Niet het linker contact van de schakelaar gaat naar de VFO, maar het rechter contact dat niet getekend is.

 

 

2.     Problemen met de FET's.

Er zijn problemen gemeld met de FET's, BF981 en oscillaties in de MF versterkers op 455 KHz. Soms gaan de FET's kapot en soms oscilleren ze. Eigenaardig is dat deze problemen bij sommige mensen wel optreden en bij anderen niet. Ik heb de FET's als één grote partij ingekocht en het lijkt me onwaarschijnlijk dat er defecte tussen zitten, maar je weet maar nooit.

Het is overigens onwaarschijnlijk dat de FET's kapot gaan door het oscilleren, want dan kon je ze ook niet gebruiken voor een oscillator!

 

Let ten eerste goed op dat je de BF981's juist monteert. Als ze verkeerd zitten en je zet er spanning op, dan zijn ze kapot! Het heeft dus geen zin om ze daarna opnieuw te monteren. Er zijn verschillende manieren om te controleren hoe ze gemonteerd moeten worden.

Als eerste. De aansluitingen op de printtekening zijn duidelijk en goed. T1, T3, T4 en T12 worden op hun kop gemonteerd met de tekst van de FET naar beneden. Ze zijn als cirkeltjes getekend en de tekst staat op de lay-out tekening in spiegelbeeld.  T2 en T9 zijn als zwarte rondjes getekend en worden met de tekst naar boven gemonteerd.

Als tweede kun je de montage controleren met de aansluitingen van de FET's en de richting van de signaalweg. De lange aansluiting van de FET is de drain, dat is de uitgang van de FET. Daartegenover zit Gate 1, de ingang. De aansluiting met het zijtakje is de source en tegenover de source zit Gate 2. Het signaal gaat van gate 1, de ingang naar de drain, de uitgang.

Gebruik voor controle beide methodes om er zeker van te zijn dat je ze goed monteert!

De signaalrichting van 10,7 en 455 is zowel op het schema als op de printtekening van links naar rechts en volgt een rechte lijn, dat is hoogfrequent-technisch gezien de beste weg. De source van de FET's moet zo goed mogelijk aan massa gelegd worden en daarom zijn de FET's bij de ontvanger op hun kop, dus met de tekst naar onder gemonteerd. Dan zitten de sources met hun ontkoppelcondensatoren zo dicht mogelijk bij de massaschroeven aan de massa.

 

   1.2.1 De montage van FET's en het insolderen.

De gate van een FET is in principe zeer hoogohmig. Als de spanning tussen de gate en het substraat een bepaalde waarde overschrijdt treed er overslag op. En er hoeven maar enkele electronen over te springen en de FET is kapot. Dat is zeker het geval met Gaas-Fet's waarvan ik er al heel veel gemonteerd heb met een uitvalspercentage van ca. 10%.

De BF981's zijn "beschermde" FET's. Die bescherming bestaat uit diodes die parallel aan de gate-aansluitingen staan en inwendig op het substraat "meegebakken" zijn. Die diodes begrenzen de spanning tot een veilige waarde. Maar die diodes kunnen ook maar een bepaalde stroom hebben en als die wordt overschreden gaat de FET toch kapot en dat gebeurt meestal bij het insolderen. Zet de FET's er het laatst in als alle andere componenten gemonteerd zijn want de weerstanden in de schakeling zorgen er dan voor dat er geen grote spanningen meer op de gates kunnen komen. En als de FET's eenmaal op hun plek zitten kan er niets meer gebeuren.

Neem de bekende voorzorgen bij het insolderen en dat begint bij de soldeerbout. Als die direct met de 230 volt verbonden is wees dan extra voorzichtig! Verbind in ieder geval de massa van de bout, dat is het metalen deel waar de stift in zit, met de massa van de print zodat er nooit een spanningsverschil kan ontstaan tussen de bout en het te solderen punt.

Maar denk er ook aan dat bij het solderen de print of het kastje nergens anders mee verbonden is dan alleen met je soldeerbout! Want als bijvoorbeeld het metaal van de bout verbonden is met de randaarde van het stopcontact en de print hangt aan een voeding die niet geaard is, kan er best een flink spanningsverschil zijn tussen print en bout! En er kan ook een spanningsverschil zijn tussen de min van de voeding en de randaarde.

En waar je misschien ook niet aan denkt is dat elke soldeerbout, of hij nu een trafo heeft of niet, altijd capacitief met het lichtnet verbonden is.

Controleer met een digitale meter of er een spanningsverschil is. (Een digitale meter heeft een hoge ingangsweerstand.)

 

1.2.2 Résumé FET's

Op het moment van insolderen mag de losse print, of de print in het kastje niet met een ander electrisch apparaat verbonden zijn. Dat geldt ook als je iets moet vervangen of repareren in de buurt van de FET's. Als je een soldeerbout op batterijen gebruikt verbind dan toch ook de bout maar met de print om zeker te zijn.

Als een FET echt goed kapot is versterkt hij helemaal niet en reageert er niets. Vaak zit er dan een sluiting tussen de gate en de source of de drain. Het kan zijn dat hij dan te veel of te weinig stroom trekt. (Uit ervaring weet ik dat zo'n Fet ook nog half kapot kan zijn. Meestal trekt hij dan te veel stroom en kan nog oscilleren op een willekeurige, soms zeer hoge frequentie.)

 

Naschrift PA0MJM:

De bouw ging in eerste instantie goed op dit punt. Maar nadat ik de tang, met de spanning op de set, in het apparaat had laten vallen L, waren de FET’s overleden. Na opnieuw in solderen had ik allerlei problemen, o.a. met de S-meter uitlezing. Na telefonisch consult van Jan heb ik de reparatie uitgevoerd met inachtneming van alle bovenstaande voorschriften. Pas daarna had ik weer een correct werkende set! Haal dus de set van alle andere zaken los, aard de soldeerbout en dan pas solderen. (73, Martin, PA0MJM)

 

  1.3 Ongewenst oscilleren van de 455 kHz MF versterkers.

Het ongewenst oscilleren heeft meestal te maken met de opbouw van de print en de ontkoppeling van Gate 2 en de source van de FET's. Het is ten eerste van het grootste belang dat de veerringetjes goed zijn gemonteerd zoals in de eerste infobrief is beschreven!!! Die zorgen voor een goede massaverbinding tussen de print en de behuizing en aan de massa van de print zitten alle ontkoppelingen van de versterkers. Als die massa niet goed is kan het al een oorzaak zijn van parasitair oscilleren.

Dan zijn er de ontkoppelingen van de source en Gate 2. De beide sources zijn goed ontkoppeld want zowel bij T3 als T4 liggen de koude kant van de twee ontkoppelcondensatoren direct aan massa vlak bij de schroeven.

Bij T3 is de ontkoppeling van G2 goed want er is een vrij korte weg  van de ontkoppelcondensator C60 naar de massa. Maar de ontkoppeling van Gate 2 van T4 laat te wensen over. Als je goed kijkt zie je dat de benaming van de FET precies onder de FET door het massabaantje loopt en dat onderbreekt! En als je de andere weg naar de massa volgt zie je dat het een lange weg is die bovendien ook nog door andere delen van de schakeling loopt.

Het probleem kan opgelost door soldeerlippen onder de schroeven te doen en daarmee een extra massaverbinding te maken naar de koude kanten van C60 en C65. Je kunt ook een draadje leggen over de tekst T4 tussen de beide massa's.

Maar het kan gemakkelijker. De condensator van 1nF, C65 is in hoofdzaak bedoeld om samen met R68 een filter te vormen voor eventuele rommel dat via die weg in de FET zou kunnen komen. Nu is die kans wel erg klein omdat G2 ongevoelig is. En eigenlijk is de ontkoppeling van G2 niet nodig. Alleen op VHF of hoger heeft de ontkoppeling van G2 invloed op de versterking. Bij de AGC versterker T9 is G2 niet ontkoppeld en de versterking van die FET is normaal. Het beste is dus om C65 weg te laten. Dus C65 niet monteren.

 

  1.4 Foutzoeken 455 kHz en vaststellen wat er aan de hand is.

Het is bij de 455 KHz middenfrequent versterker lastig om vast te stellen wat er aan de hand is als die niet direct werkt. Te meer ook omdat hij samen met de AGC regeling een regellus vormt.

Je weet niet hoe je de verschijnselen die zich voordoen moet interpreteren.

Als er geen signaalversterking is kunnen er twee oorzaken zijn. De FET is kapot òf hij staat te oscilleren zoals hierboven beschreven. Als hij staat te oscilleren "drukt hij zichzelf dicht" en geeft geen versterking meer op de gewenste frequentie. Bovendien wordt de AGC door die oscillator volledig uitgestuurd en die regelt de totale versterking van 10,7 en 455 terug.

Het ongewenst oscilleren merk je meestal direct wanneer je met je vinger, of bijv. een meetpen in de buurt van de FET komt of een van de aansluitingen aanraakt. Dan hef je de oscillatie op en ineens komt er dan geluid uit de luidspreker. (Aangenomen dat het LF aan staat en de RF gain op maximum.) De FET is dan in orde en niet kapot!

 

  1.5 De koppellussen van de bandbreedte schakeling in de 455 kHz MF.

De twee spoelen L60 en 61 zijn door koppellussen aan elkaar gekoppeld. Hierdoor ontstaat een eenvoudige trafo (zie de foto's). Het maakt natuurlijk niets uit of dat met de 330 of 470 µH spoeltjes gebeurt. De koppellussen bestaan uit 6 windingen geïsoleerd Posijn koperdraad van 0,2 of 0,3 mm. Je kunt dat het beste als volgt monteren. Wikkel eerst een koppellus op het midden van elk spoeltje vóórdat je ze monteert. Laat de draadjes zo'n drie cm lang en twist die om elkaar. Monteer nu de spoeltjes en bepaal de lengte van de draadjes zodat je de lusjes met elkaar kunt verbinden. Knip de draadjes op lengte, vertin de uiteinden en verbind daarna de koppellusjes met elkaar. Maak de draadjes niet te kort, dat heeft HF technisch geen enkel nut. Houd er rekening mee dat je misschien de aansluitingen moet omkeren als de fase niet klopt en de koppeling verkeerd is. Dan werkt de Q-multiplier, dus het filter niet.

 

 


 2 Toelichtingen

 

  2.1 De draaggolfoscillator op de SSB print.

Er werd gemeld, dat die het eerst niet deed en na verandering van C153 naar 1 nF wel. Maar toen ging de frequentie niet hoger dan 456 KHz en dat moet 456,5 KHz zijn. Hoe kan dat nou denk je dan, in het prototype dat nagenoeg hetzelfde gebouwd is werkte het wel. Dus heb ik snel de schakeling gebouwd en inderdaad, hij deed het bij mij ook niet! Toen ik in het prototype keek zag ik dat er op de plaats van C153 inderdaad een 1nF zat. Dus dat was een foutje van mij, sorry! Definitief wordt deze condensator dus 2n2. Maar toen kwam het echte probleem, ook hier wilde hij niet hoger dan 460 KHz. Nu herinnerde ik me ineens dat ik bij het ontwerpen dat probleem ook al had. Ik heb dat toen opgelost met een andere resonator en het probleem was opgelost. (En het probleem vergeten, stom…..)

Nou, dan maar snel een aantal nieuwe resonatoren uit de verpakking gehaald en getest. Ze zaten allemaal aan de lage kant, een enkele ging tot 456,5 KHz. Toen nog geprobeerd of door verandering van componenten in de schakeling de hoge frequentie haalbaar was maar niets hielp. Daar moest dus iets anders op gevonden worden. Na enig gepieker ontstond het idee om aan de resonator een tweede parallel te zetten en ziedaar, hij ging tot 467,5 KHz! Ja natuurlijk, door twee resonatoren parallel te zetten neemt de totale zelfinductie af en wordt de frequentie hoger.

Maar toen kwam de lage frequentie niet laag genoeg. Weer puzzelen en piekeren. De tweede resonator zou dus aan- en afgeschakeld moeten worden. Hoe gaat het omschakelen ook alweer, ik moest er zelf eens goed over nadenken.

 

  2.1.1 De omschakeling van de hoge naar de lage frequentie (USB –LSB).

Transistor T15 is een schakelaar die je met S2 in of uit geleiding brengt. Als hij uit geleiding is staat er over D161 een wisselspanning die een negatieve gelijkspanning over de diode opwekt ter grote van de piek-piek waarde van de wisselspanning. Er is immers geen weerstand en het lijkt dus net alsof de diode er niet is. Trimmer C165 staat dan in serie met de parallelschakeling van de bovenste trimmer en C166 en de oscillator geeft de hoge frequentie. Breng je nu T15 in geleiding door de schakelaar te sluiten dan kan er geen negatieve spanning meer ontstaan. D161 is dan in geleiding en sluit de onderste trimmer kort. Alleen de bovenste trimmer werkt nu en de oscillator werkt op de lage frequentie. Nu is de oplossing van het bovenstaande probleem gemakkelijk. We zetten de tweede resonator parallel aan de onderste trimmer en inderdaad, het werkt. Dus bij de lage frequentie werkt alleen de originele resonator en bij de hoge frequentie staat de tweede resonator daaraan parallel via C154 en C165. Praktisch is deze oplossing gemakkelijk te realiseren. Allereerst heb ik genoeg resonatoren die ik je toe zal sturen (gelukkig dat ik toch nog andere dingen op moet sturen dan kan die er bij). En dan zitten er op de print naast C155 twee gaatjes om een extra C'tje parallel aan de trimmer te zetten. Als je evenwijdig aan die gaatjes nog een gaatje boort op dezelfde afstand en in de massa, dan past de extra resonator mooi in. (Gaatjes van 1 mm boren.) Er zijn twee soorten resonatoren. Ik wist dat niet en werd daarop attent gemaakt door meerdere mensen. Ze heten allebei CSB455E maar op de ene staat rechtsonder een ‘T’ en op de andere een soort tekentje dat lijkt op een procentteken. Het kan zijn dat daardoor geringe frequentieverschillen optreden maar bij het systeem met de twee resonatoren zijn die zeker met de trimmers op te vangen.

 

  2.1.2 De keuze van de gewenste zijband.

Die gebeurt door de draaggolf oscillator. Staat die boven de filterdoorlaat dan heb je lage zijband en staat die onder het filter dan heb je hoge zijband. Zie ook Electron, september 2002, blz.370, Fig.7. Maar de uitgangsmixer keert de zijband om (Electron september) en het uitgangssignaal heeft weer lage zijband. Bij schakelaar S2 staat dus de goede zijband situatie voor het uitgangssignaal. Daar zie je dat de DO op de lage frequentie staat als de schakelaar S2 gesloten is. Dan heb je op 455 KHz de hoge zijband en dat geldt ook voor 10,7 MHz.

Een eenvoudige verklaring voor het omkeren van de zijband door het mengen is de volgende: als de frequentie van het te mengen signaal lager wordt (LSB) en en de mengoscillator staat daarboven in frequentie, dan wordt het verschil groter    (6-4=2, 6-3=3, 3=méér dan 2). Dus dat geeft een hogere frequentie (USB) voor het uitgangssignaal van de mixer. Voor het veranderen van zijband schakelen we de draaggolf oscillator op een frequentie onder of boven de filterdoorlaat. Daardoor ontstaat een frequentieverandering van ca. 3 KHz (per definitie is de frequentie van de onderdrukte draaggolf de frequentie van een SSB signaal). Daardoor verandert ook de ontvangstfrequentie en de zendfrequentie 3 KHz. Dan moet je bijstemmen en de display geeft een verkeerde frequentie aan. Om dat te voorkomen corrigeren we de VFO frequentie met 3 KHz in tegengestelde richting. Nu staat er in het SSB schema een tekenfout bij S2. Niet het linker contact van de schakelaar gaat naar de VFO maar het rechter contact dat niet getekend is.

 

  2.1.3 De automatische zijband omschakeling, AZO.

Tijdens het controleren van het bedradingschema ontdekten we dat ik de schakeling voor de automatische zijband omschakeling vergeten ben. Die schakeling zorgt er voor dat bij de overgang van 10 MHz automatisch de zijband verandert van lage naar hoge zijband of omgekeerd. De informatie daarvoor komt uit de matrix via D19 en 20 en daarop staat bij USB + 12 volt. De AZO kwam er dus nog bij, en dat is de XOR-print. Het is een soort opzetprintje en kan gemonteerd worden op de spanningsrail van de VFO print.

 

  2.2 De SSB/CW ontvanger bandbreedte schakeling op de SSB print

De "normale" bandbreedte van de ontvanger is ca. 2,1 KHz. Hij wordt bepaald door het SSB filter. Voor telegrafie kan de bandbreedte verkleind worden met een extra filter in de vorm van een Q-multiplier tussen de eerste en tweede MF versterker. Zie Electron, september 2002, blz 373. T5 vormt samen met de resonator QZ2 de Q-multiplier. Met de varicap BB102 verstemmen we de resonator en dus de filterfrequentie. De twee spoeltjes L60 en L61 vormen met de koppellusjes een trafootje. In het schema van de SSB print zie je bij T5 op het knooppunt van R75 en R76 een aansluiting die heet "+ bij SSB". Met een spanning op dat aansluitpunt schakelen we de bandbreedte en zetten we de Qmultiplier aan of uit. Die spanning komt van de schakelaar "IF Wide/Narrow" op de voorkant. Als die 12 volt geeft is de Q-multiplier uitgeschakeld en wordt de selectiviteit alleen bepaald door het SSB filter (Wide). Dan is T5 uit geleiding en zijn de varicap CD1 en de diode D62 in geleiding en langs die weg gaat het MF signaal naar de tweede MF versterker. Schakel je nu dat punt naar massa, dan gaat T5 geleiden en CD1 krijgt een tegenspanning en werkt als varicap. Met een spanning uit de controlbox regelen we de versterking van T5 en daarmee de selectiviteit, dat heet U-piek. Een andere regelspanning komt op de varicap en daarmee regelen we de frequentie van het filter, dat heet U-tune.

 

  2.3 Het RX-CW filter en de TX-CW oscillator.

Het frequentiebereik van beide is gebaseerd op LSB. Ze stemmen beide niet af over het hele MF bereik van 453,5 tot 456,5 KHz.

Als de side-tone bij CW ontvangen te zwak is kun je R144 bij de CW oscillator wat verkleinen.

 

  2.4 Het niveau van de oscillatorsignalen op de mixers.

De mixers 6440 zijn vrij ongevoelig voor het niveau van de oscillatorsignalen. De fabrikant geeft op dat er 200 mV effectief moet zijn, dat is ca. 5 volt piek-piek. Ik meet op de eerste mixer 400 mV pp en op de tweede mixer die gestuurd wordt door de VFO, 200 mV pp. Als het niveau van de VFO wat te laag is kun je dat vergroten door de weerstand R8 die de basis van de BFR96 voedt te verkleinen  naar 22K. Je kunt er ook een 47K parallel aan de onderkant monteren.


De VFO print

 

Bouwaanwijzingen

 

  • In een eerdere mededeling van Piet, PE1PYK gaven wij al aan dat er bij de stabilisatoren op de VFO print vier kortsluitingen zitten en hoe je die moet verwijderen.
  • De staande instelpotmeter naast P1 heeft een verkeerde benaming, het is P2. P1 en P3, haal je uit de omzetters. Dat gaat heel goed met de verfföhn.
  • R35 bij P2 is kortgesloten. Daar moet je een spoortje doorkrassen.
  • Voor P2 vind je 100K in het pakketje. C34 is een MKT condensator.
  • De schakelaar S1 op de print is overbodig. Het maakt niet uit aan welke kant van P3 je de aansluiting naar P2 en R35 maakt. Ik adviseer de aansluiting aan de onderkant van P3 want dan staat de serieschakeling parallel aan R39 en dat is logisch. R35 komt uiteindelijk op een waarde van 430K. Zet een weerstand van 330K in serie met 100K Plaat deze tussen LSB/USB aansluitpunt op VFO print en verbindingsdraad van XOR print.
  • Schakelaar S2-3 moet als invert gemonteerd worden en dat zijn de aansluitingen die met de onderbroken lijntjes op de print is aangegeven. Want de VFO loopt tegengesteld aan de afstemspanning. Zie Electron december 2002, blz. 523.
 
  

  • P1 en P3 staan in spiegelbeeld op de print. Daarvoor is een hulpprintje geleverd. Monteer hierop eerst de blauwe 10-slags potmeters. Zet het dan op zijn kop in een bankschroefje i.d. en soldeer de draadjes in de gaatjes. De onderkant van de potmeters is warmtebestendig dus de draadjes smelten er niet in. Monteer daarna het printje zo laag mogelijk boven de grote print. Dan steek je de twee weerstanden R38 en R39 door de gaatjes en je soldeert die ook aan de grote print. Zie figuur 1

Figuur 1

Nu moet je P2 anders monteren. Als je hem op de print monteert zit hij te laag en kun je er niet bij om af te regelen. Ik heb er eerst drie draadjes aangesoldeerd en hem wat hoger gemonteerd zodat het afregelgleufje boven de 20 turn potmeters uitkomt. Je kunt voor de bediening ook een gaatje boren in de achterkant van de behuizing. Monteer de doorverbinding die naast P1 ligt, aan de onderkant met een geïsoleerd draadje.

  • Let op dat R36 aan de uitgang, pin 1 van IC8-2 komt. Je kunt hem gemakkelijk op de bovenkant van de print aan de juiste aansluiting van S2-3 monteren.
  • Van de 4027 is pin 9 niet geaard. Doorverbinden met pin 8.
  • Bij de X-tal oscillator op de VFO print wordt C2 33 pF en wordt C3 22 pF en dan fluit hij als een tierelier! Op pin 11 van de 4046 staat dan ca. 8 Volt PP.
 
  

  • Het spoeltje van de VCO is gewikkeld op een teflon buisje dat bij het pakketje zit. Het spoeltje krijgt 26 windingen! Maak het vormpje op lengte, niet te kort, en prik met een speld vier gaatjes in het teflon op de plaats zoals die door de print wordt bepaald. Daarin komen twee blanke montagedraadjes van 0,3 of 0,4 mm. Die steken in de print en worden aan de andere kant vast gesoldeerd. Ze steken aan beide kanten ca. een cm uit het teflon buisje. Dus aan de andere kant zijn het de bevestigingspunten voor het spoeltje. Wikkel eerst het spoeltje tussen de draadjes. Het bijgevoegde koperdraad is Povin-draad, als je daar de soldeerbout tegen houdt, verbrandt de isolatie en kun je het koperdraad gemakkelijk vertinnen. Maak het eerst recht en zorg dat er geen "knopen" in zitten. Je soldeert eerst één uiteinde van het koperdraad aan één van de twee verticale draadjes, dan wikkel je het spoeltje en soldeert het andere eind aan het andere verticale draadje. De andere kanten van de verticale draadjes gaan door de print. Zie figuur 2.

Figuur 2

 

  • Als je een spoeltje gemonteerd hebt met 21 windingen, kun je de VCO ook op de gewenste frequentie krijgen door een C'tje van 68 of 82 pF parallel aan C4 te zetten. Daardoor wordt het regelbereik van de varicap iets kleiner waardoor de spanningszwaai wat vergroot. Een gering voordeel hierbij is dat de ruiseigenschappen van de oscillator iets verbeteren maar die zijn toch al uitmuntend. Het koppellusje heeft twee windingen en dat mag op het midden van de spoel liggen.
  • Er moet een weerstand van 22K van pin 3 van IC2-1 naar massa.
  • De weerstanden R31 en R32 worden 56K.
  • In de VFO moet je C38, 100nF niet monteren.
  • R28 is vervangen door een doorverbinding, dat geeft een wat ruimer bereik met P1. Dit i.t.t. wat de Errata schrijft!! R28 zit onder het hulp printje voor P1 en P3!
  • R63 wordt 2K7.
  • Gebruik voor R22,15K een weerstand van 10K en 4K7 in serie.
  • C34 moet vervangen worden door 680 nF of 0,68 µF. Het maakt niet uit of je daarvoor een tantaal elco of een MKT condensator gebruikt. De 680nF tantaal zit er in de latere pakketten bij. Zie voor het waarom verderop bij VFO. Als je er niet aan kunt komen, handel dan als in de bovenste alinea aangegeven. Maar kijk eerst of je ook nog andere dingen mist!

 

De werking van de VFO.

 

Samenvatting van de werking

  • De VCO wordt gestuurd met een spanning en heeft een bereik van ca. 10,000 tot 10,300 MHz bij een spanningsvariatie van ca. 2 tot 10 volt.
  • Als de VCO gestuurd wordt door de DIPU, bepaalt die de frequentie van de VCO. 10,145 MHz is dan 3,1 Volt en 10,245 MHz is 5,2 Volt (DIPU spanning, maar dit is NIET de regelspanning! Die staat aan de uitgang van IC2-2).
  • Het spanningsbereik van de afstempotmeter is van ca. 3 tot 9 Volt.
  • Door een weerstand va 22K aan de + ingang van IC2-1 naar massa maken we het midden van de twee bereiken nagenoeg aan elkaar gelijk.
  • Met IC2-2 brengen we de aanwijzing van de DVM en VFO frequentie met elkaar in overeenstemming. Zie ook: Displayvoeding
  • De uitgangsfrequentie van de VFO loopt tegengesteld aan de potmeterspanning

 

Ik denk dat veel mensen voor het eerst kennis maken met regellussen en spanningsgestuurde oscillatoren zoals in de VFO en de bandensynthesizer. Voor de afregeling, en om eventuele problemen op te kunnen lossen, is het van belang dat je die schakelingen enigszins begrijpt. Ik ga daarom de werking en afregeling van de VFO nog eens beschrijven maar nu in andere bewoordingen. Voor een deel geldt die ook voor de synthesizer. In Electron, december 2002 vind je wel de nodige informatie, maar ik denk dat dit nog niet duidelijk is. Bovendien kan ik het nu voor de definitieve schakelingen beschrijven.

 

E.e.a. is als volgt ingedeeld:

1.     Afstemgedeelte, in het schema rechts van IC2-2.:

1.1.   De memo’s, RIT, AFT, enz

1.2.  Afstempotmeter

1.3.  IC 2-2

2.    De regellus, in het schema links van IC2-2

2.1.  VCO

2.2. De digitale pulsgever, DIPU.

2.3. IC2-1 is een vergelijker, een comparator.

3.    Het werkt niet, en nu?

 

Van elk van bovengenoemde delen volgt nu een beknopte uitleg met afregelinformatie.


1        Het rechter deel: de afstempotmeter, de geheugens en de spanningsvolgers.

 

 

1.1 De memo’s, RIT, AFT, enz.

Om die schakelingen te begrijpen moet je allereerst weten wat het doel er van is en waarom ze zo gemaakt zijn. Het doel was om met één afstemknop toch meerdere mogelijkheden te hebben en dat is elektronisch gerealiseerd met de schakelingen rechts op het schema. Maar realiseer je goed dat alles "normaal" werkt als alle schakelaartje naar links staan en dat is de stand waarmee je moet beginnen. Het systeem met de fijnregeling maakt het mogelijk om nauwkeurig af te stemmen waarbij je de keuze hebt met de linkse schakelaar om het automatisch aan en uit te laten schakelen. Bij "Memo ON" blijft de fijnregeling constant werken over een bereik van ca. 30 KHz. Hierboven had ik al aangegeven, dat C34 vergroot moet worden tot 680nF. Die condensator bepaalt bij ‘automatisch’ de tijd tussen loslaten van de knop en het overschakelen in de fijnregelstand. Met 100nF is die te kort, met 680nF duurt dat ca. 1,5 seconde. Een nadeel is wel dat je bij terugschakelen naar normaal, een frequentiesprong krijgt. Dat komt omdat de frequentie dan teruggaat naar die welke hoort bij de stand van de potmeter, want de potmeter is uiteindelijk het primaire frequentiegeheugen. En als je in de fijnregelstand snel van onder naar boven in het 100KHz bandje draait duurt het een paar seconden voordat de Memocondensator opgeladen is. Dan moet je dus heel even wachten voordat de frequentie gestabiliseerd is òf je zet de fijnregeling uit. Het systeem met het memo en split is bedacht om in geval van bijv. QRM een schone frequentie op te kunnen zoeken. Je slaat dan de huidige frequentie op in het memo, je zet memo aan. Dan kun je er na het zoeken met de schakelaars split en F2 naar terug om te zeggen waar je naar toegaat. De nieuwe frequentie wordt door de potmeter onthouden en door split uit te zetten en F1 aan, zit je op de nieuwe frequentie. Bovendien is deze mogelijkheid bruikbaar om in "Split-Frequency" een DX station te werken. Het is dus niet bedoeld om langdurig een frequentie in een geheugen op te slaan, daar is meer techniek voor nodig. Het is ook geen RIT regeling omdat bij vaak omschakelen de frequentie een beetje verandert. Maar een RIT is een onding omdat er dan altijd een verschil is tussen de ontvang- en zendfrequenties. Als je voor het eerst gaat luisteren zet dan alle schakelaars naar links dan heb je de gewone afstemming. Ga de andere systemen pas uitproberen als je de gewone afstemming goed kent.

 

- De instelpotmeter P5. Die dient er voor om bij gebruik van het memo de twee frequenties F1 en F2 aan elkaar gelijk te maken. F1 is de frequentie van de afstemknop en F2 is die van het memo. Voor het afregelen zoek je het fluitje van 7080 op en stel dat naar je eigen smaak in op een toontje van 400 tot 1000 Hertz. Zet nu memo aan en schakel tussen F1 en F2. Regel nu met P5 de toon in beide standen van de schakelaar aan elkaar gelijk. 

- Een "Hik" effect bij AFT, de automatische fijn afstemming. PAoSKF meldde dit en hij vond de oorzaak in IC10-2. Door een C van 10nF over R56 was het over. Die kan zo op de print, de gaatjes zitten er al.

- Een klein frequentiesprongetje. PAoSKF meld dit, bij overschakelen van normaal naar fijn afstemming. Ik heb dat ook maar minder dan ca. 20 Hz. Je hoort het nauwelijks. Het ontstaat bij het omschakelen van IC12-2. Tijdens het omschakelen ontlaadt de memocondensator C36 een heel klein beetje. Hoe sneller hij omschakelt, hoe kleiner de frequentiesprong. De snelheid van omschakelen wordt mede bepaald door IC13-2. Maar dit treedt alleen op als het systeem omschakelt van normaal naar fijn en dan corrigeer je de frequentie toch al met de fijn afstemming.

 

1.2 De afstempotmeter

De spanning van de afstempotmeter heeft een spanningszwaai van ca. 3 naar 9 volt. Die staat ook op de uitgang van de spanningsvolgers IC13-1 en IC9-1. De uitgang van IC9-1 "stuurt" de display die bij juiste afregeling de frequentie aanwijst. Dit deel heeft zijn eigen afregeling. Met P4 stel je de display bij 3 volt in op min 10 en met het potmetertje op de display bij 9 volt op plus110. Deze afregeling moet je een paar keer herhalen omdat er wat interactie is tussen de twee instellingen. (Doe de displaymodificatie met de 10 KOhm. Zie Displayvoeding bij frequentie aanwijzing met DVM.) Kleine afwijkingen zijn niet van belang. Stel dat de display bijv. -12 en +114 aangeeft. Dat betekent alleen dat straks de frequentie aan de onderkant 12 KHz onder de 100 KHz komt en 14 KHz boven de 100 KHz van dat segment. De "overlap" is wat groter. Dus als een van de twee instelpotmeters aan het eind van zijn regelbereik zit maar je hebt vrijwel de goede aanwijzing, laat het dan zo. Het verandert nooit meer en zeker niet uit zichzelf of er moet iets kapot gaan. Wil je toch het heel precies doen, dan moet je weerstanden aanpassen. Maar als dit eenmaal in orde is hoef je hier nooit meer iets aan te doen. Als de frequentie later niet klopt zit het probleem niet hier maar ergens anders.

 

1.3 IC2-2.

De VFO en de afstempotmeter hebben dus twee verschillende spanningsbereiken. Die kunnen we nooit zo precies maken dat ze zonder meer aan elkaar geknoopt kunnen worden. Er zijn altijd toleranties in de weerstanden en bovendien, als je het uitrekent kom je op rare waarden van weerstanden die moeilijk verkrijgbaar zijn. Om de twee spanningen precies op elkaar aan te passen dient IC2-2. Bovendien gebruiken we die om de richting van de afstemspanning om te keren, bovenmenging 1e mixer, zie Electron, sept en okt. 2002. Door het instelpunt en de versterking instelbaar te maken met twee instelpotmeters P3 en P1 kun je beide spanningsbereiken op elkaar afregelen, dat wil zeggen, je past de VFO aan op de display want de displayindicatie is de frequentie! Met P3 regel je het midden van het VFO bereik: de “offset”. Met P1 stel je de hoge en lage frequentie in op de 100 KHz punten: de "span". Deze afregeling moet je een paar keer doen want er is toch enige interactie tussen de twee potmeters. Je zult dat merken als je exact op de 100 KHz punten gaat afregelen. Dat doen we overigens pas als de ontvanger werkt, want dan kun je met de synthesizer een beatnote maken exact op elke 100 KHz.

  • Je kan R50 verkleinen naar 39K, dan staat de potmeter P4 mooi in het midden.

 

Afregeling DVM gaat als volgt:.

  • Zet eerst de afstempotmeter geheel linksom en regel met P4 de DVM af op -10. Draai hem nu geheel rechtsom en regel het potmetertje op de display af op +110. Als de synthesizer er op zit is dat wat lastiger maar dan gaat het met een pincet of een tangetje
  • Zet nu de afstemming op 50 en regel met P3 de frequentie op 10,195 MHz. Dat meet je met een counter of een ontvanger. Je kunt ook de 195 KHz bij transistor T3 gebruiken
  • Regel nu de VCO spanning met de trimmer af op 5 volt. (Is midden van VCO frequentiebereik). LET OP! Bij de volgende afregeling loopt de frequentie tegengesteld aan de afstemming!
  • Zet de DVM op 100 en regel met P3 de frequentie af op 10,145 MHz. Dat hoeft nog niet zo erg nauwkeurig te zijn, het gaat er nu om dat alles ongeveer klopt. Als de ontvanger klaar is doen we de exacte afregeling m.b.v. de 100 KHz uit de synthesizer. Dat gaat veel gemakkelijker en nauwkeuriger. Bovendien regelen we dan de zijband correctie af met P2 en dat kan het beste als alle schakelaars aangesloten zijn en werken

 

De frequentiecorrectie van de VFO bij USB / LSB

Voor het veranderen van zijband schakelen we de draaggolf oscillator op de SSB-print op een frequentie onder of boven de filterdoorlaat. Daardoor ontstaat een frequentieverandering van ca. 3 KHz (per definitie is de frequentie van de onderdrukte draaggolf de frequentie van een SSB signaal). Daardoor verandert ook de ontvangstfrequentie en de zendfrequentie 3 KHz. Dan moet je bijstemmen en de display geeft een verkeerde frequentie aan. Om dat te voorkomen corrigeren we de VFO frequentie met 3 KHz in tegengestelde richting. Nu staat er in het SSB schema een tekenfout bij S2. Niet het linker contact van de schakelaar gaat naar de VFO maar het rechter contact dat niet getekend is.

De frequentiecorrectie doen we door de afstemspanning te veranderen en daarvoor dienen P2 en R35 in het midden van het VFO schema. R35 komt uiteindelijk op een waarde van 430K. Zet een weerstand van 330K in serie met 100K. R35 zit aan het rechter contact van schakelaar S2 dus als die sluit wordt de spanning lager. Die verandering komt via IC8-2 op de + ingang van IC2-2, die inverteert niet en de VFO volgt die spanning. De VFO frequentie gaat ook omlaag. Bij omschakelen van zijband verschuift de DO ca. 3 KHz dus de VFO frequentie moet net zoveel in tegengestelde richting veranderen en dat stel je in met P2.Staat de schakelaar S2 op het schema van de SSB print naar links dan is T15 in geleiding en werkt de DO op de lage frequentie. Schakelen we S2 naar rechts dan gaat de DO omhoog maar dan trek je tegelijkertijd de afstemspanning van de VFO naar beneden, dus de VCO frequentie wordt lager. De hoge frequentie van de DO wordt nu gecompenseerd door de lage frequentie van de VFO. Met P2 maak je de frequentieverschuiving van de VFO gelijk aan die van de draaggolf oscillator, ca. 3 KHz. Dus de frequentie op 10,7 èn de uitgangsfrequentie blijven hetzelfde, alleen de zijband keert om.

 

 

 

2. Het linker deel, de regellus met de VCO, de digipuls en de vergelijker of comparator.

 

 

Uit jullie brieven en commentaren begrijp ik dat over de begrippen VCO en regelspanning veel onduidelijkheid is. En dat wordt nog erger als VCO en digipuls een regellus vormen en het geheel ‘in lock' is. Want als de VCO in de regellus zit kun je met de trimmer alleen nog maar de regelspanning instellen. Maar als de varicap met een externe spanning gestuurd wordt kun je met de trimmer de frequentie regelen. Dat is moeilijk te begrijpen en je snapt het pas als je eens aan de trimmer draait als alles werkt. Datzelfde speelt ook bij de bandensynthesizer, daar is ook een regellus. Alleen is de digipuls dan een fazevergelijker.

We zullen het nog eens beschrijven want verschillende mensen willen graag precies weten hoe het werkt. En het is prettig als je straks je eigen problemen kunt oplossen. In het volgende bekijken we de drie delen apart: De VCO, de digipuls en de vergelijker. Het geheel is een regellus. We gaan er eerst van uit dat alles normaal werkt.

 

 

 2.1 De VCO

De VCO is een oscillator waarvan de frequentie instelbaar is met een regelspanning.De frequentie van die oscillator wordt bepaald door de afstemkring. Die bestaat uit de spoel L2, de vaste condensator C4, de trimmer C5 en de varicap. Die heeft, als voorbeeld, bij 3 volt een capaciteit van 25 pF.  Door de spanning op de varicap te regelen, veranderen we de frequentie van de oscillator. Daarom noemen we deze oscillator een VCO, Voltage-Controlled- Oscillator. De trimmer dient alleen voor correctie. Bij loslopende oscillator, dus géén gesloten lus, is het verband tussen spanningen frequentie is als volgt: Bij 2 tot 3 volt geeft de VCO 10 MHz en bij 8 tot 10 volt 10,4 MHz.

 

2.2 De digitale pulsgever, DIPU.

      145 –245kHz

                                                                          in

     Naar IC2-2

 

 

 

 

 

 

 

 

      10 MHz clk

 

 

 

 

De principiële werking van de DIPU komt overeen met die van een monoflop, hij geeft ook een nauwkeurige omzetting van frequentie naar spanning. Omdat de VCO frequentie te hoog is voor de DIPU, mengen we hem eerst met 10 MHz. Dan ontstaat een verschilfrequentie van 145 tot 245 KHz en die gaat via de versterker T3 naar de DIPU. Die geeft nu voor elke periode van de VFO een puls af waarvan de breedte nauwkeurig vastgelegd is door de breedte van één puls van de klokfrequentie  en het deeltal van de 4060. Met de Q3 uitgang bereiken we dat de uitgangspuls 9 klokpulsen breed is, dat is 1,8 µS. (9x 0,2 µS.) Met het integrerende netwerk R15/C16 wordt hieruit een gelijkspanning gewonnen. 145 KHz is 3,1 Volt en 245 KHz is 5,2 Volt. Met een hoog-ohmige meter kun je die spanning meten op C16, maar dat kan alleen als alles werkt. Want de DIPU geeft pas pulsen met de goede frequentie als hij getriggerd wordt door de VCO (na menging). In de op-amp IC2-1 wordt deze spanning vergeleken met de spanning uit het afstemgedeelte, c.q. de afstempotmeter. Dan geeft de op-amp een regelspanning die de VCO exact op de gewenste frequentie zet. En dat is de spanning die de tabel aangeeft.

Het geheel van VCO en DIPU is een FLL, een Frequency Locked Loop. Pin 3, de + ingang van IC2-1, is het punt om hem aan te sturen. Als je op deze ingang een spanning aanbiedt van 3,1 tot 5,2 volt, dat is dezelfde spanning die de DIPU maakt, dan geeft de VCO de frequentie van 10,145 tot 10,245 KHz af (+/ - 10 KHz).

 

2.3 IC2-1 is een vergelijker, een comparator.

 

            

                    van Potmeter circuit = ref. spanning

 

 

uit, regel sp.

 

                        van digipuls = frequentiemeting

 

 

 

 

Het vergelijkt de spanning uit de digipuls met die van de afstempotmeter en daardoor ontstaat de regelspanning voor de VCO. De digipuls-spannig staat op de ‘min’ ingang. Daarom heeft de digipuls-spanning een tegengestelde werking op de VCO regelspanning. De afstemspanning staat op de ‘plus’ ingang van de vergelijker. Daarom heeft die dezelfde richting als de regelspanning (Voor de regellus is dat de referentiespanning).

Stel nu dat die even niet verandert, dus volkomen stabiel is. Als dan de frequentie, door welke oorzaak ook, wil veranderen ontstaat aan de uitgang van IC2-1 een regelspanning die tegengesteld is aan de frequentieverandering. Door de grote versterking van de op-amp werkt die elke frequentieverandering, hoe klein ook, tegen.

Dus de frequentie van de VCO zit onveranderlijk vast aan de referentiespanning, dus als we die veranderen verstemmen we de VCO.

Die spanning wordt vergeleken met de digipulsspanning en daarom heeft de afstemspanning dezelfde waarde als de digipulsspanning. Dus als we op IC2-1 pin 3 de spanning variëren van 3,1 naar 5,3 volt gaat de VCO van 10,145 naar 10,245 MHz. En op die punt 3 sluiten we de afstempotmeter aan. Er is een verschil tussen de spanningszwaai van de potmeter en de zwaai aan de ingang van de vergelijker. Want de afstempotmeter heeft een zo groot mogelijke spanningszwaai, want dan hebben storende invloeden zoals ruis, kraken of brom de minste invloed op de afstemspanning. Nu is het midden van de spanningszwaai van de regellus ca. 4 volt en het midden van de spanningszwaai van de potmeter 6 volt. Om die twee waarden op elkaar aan te passen plaats je op pin 3 van IC2-1, het extra weerstandje van 22 K naar massa. Bovendien verzwakken we de zwaai van de potmeter ook nog eens met IC2-2 zodat de totale verzwakking ongeveer drie keer bedraagt.

Omdat we hier de frequentie omzetten naar een spanning en die met een andere spanning vergelijken noemen we dit een ”Frequency-Locked-Loop", dit in tegenstelling tot de synthesizer, daar heet het een “Phase-Locked-Loop” omdat de regelspanning daar ontstaat door een fasevergelijking van twee frequenties.

 

Als je de VFO voor het eerst laat werken en je ziet dat door het verdraaien van de afstempotmeter de regelspanning van de VCO verandert, werkt de hele VFO. Hooguit zijn er dan nog wat kleine aanpassingen nodig.

 

 

 

 

3. Het werkt niet, en nu?

 

3.1 Meten.

Als er iets niet goed werkt, of om zaken te controleren, moeten we steeds spanningen meten. Daarbij is het zaak op te passen dat de meter de metingen niet beïnvloed. Het beste meet je met een analoge meter omdat je daarmee direct ziet of een spanning bij veranderingen omhoog of omlaag gaat. Daarbij moet je wel rekening houden met de inwendige weerstand van de meter. Met een digitale meter gaat het natuurlijk ook maar die is wat lastiger af te lezen bij veranderende spanningen. Wel heeft een dergelijke meter een hogere inwendige weerstand. Als de regellus normaal werkt kun je de regelspanning van de VCO meten op de uitgang, pin 1 van IC2-1. Daar maakt het niets uit of de meter een lage of hoge inwendige weerstand heeft want de op-amp heeft een zeer lage uitgangsweerstand. Maar meet je de digipuls-spanning op C16 dan kan er enige misaanwijzing ontstaan. En dat is ook het geval als je de spanning op de ingang van de loop, pin 3 vanIC2-1 meet.

 

3.2 Foutzoeken

Als de VFO niet goed werkt moet je als eerste controleren of de VCO de juiste frequentie geeft bij de gegeven afstemspanning. De waardes zijn hierboven bij VCO aangegeven. Als de VCO dat regelbereik heeft valt het exacte bereik van 10,145 tot 10,245 MHz hier ruimschoots in. Om dat te controleren onderbreken we de regellus door R6 los te nemen van de opamp en zetten daar een externe (regel)spanning op. Nu werkt de VCO op zichzelf en kunnen we de frequentie veranderen en instellen met die regelspanning èn de trimmer. Regel de trimmer zo af dat het midden van het frequentiebereik, dus 10,200 MHz  overeenkomt met 5 volt.

Als nu de VCO bij 3 volt geen 10 MHz geeft maar bijv. 9,8 MHz. Dan zit de resonantiefrequentie van de kring dus te laag. Nu kun je die hoger maken door de trimmer uit te draaien, dus minder capaciteit te geven. Maar is dan de frequentie nog te laag, dan zijn er twee mogelijkheden:

Of de zelfinductie is te groot, of de vaste capaciteit, in dit geval C4 220 pF, is te groot. Maar de capaciteit kan hooguit een paar procent afwijken. Dan blijft alleen de spoel over, er is te veel zelfinductie, dus te veel windingen. Er treden kennelijk toch wat verschillen op bij het wikkelen van het spoeltje! Als we de regellus sluiten en de VCO heeft het juiste frequentiebereik, dan kun je met de trimmer alleen nog maar de regelspanning veranderen. Dat komt omdat de regelspanning via de varicap de capaciteitsverandering van de trimmer tegenwerkt. Want als de trimmercapaciteit toeneemt, zal die van de varicap afnemen en de totaalcapaciteit blijft hetzelfde! De frequentie verandert dus niet en je kunt met het verdraaien van de trimmer nu alleen nog maar de regelspanning afregelen! Verdraai nu de afstempotmeter eens van 3 naar 9 volt (display van -10 naar +110). Let op, als de spanning omhoog gaat, gaat de frequentie omlaag. Zie bij IC2-2. Als alles goed werkt zal de VCO afstemspanning variëren ergens tussen 2 en 11 volt. Dat kan zijn van 2 naar 6, van 4 naar 7 of van 5 naar10 volt, of waarden daar tussenin. Maar als je dan de frequentie van de VCO meet zul je zien dat die altijd gaat van 10,135 tot 10,255 MHz. De exacte waarde van de VCO regelspanning is dus niet belangrijk, maar wel of die binnen bepaalde grenzen blijft. Die worden bepaald door de voedingsspanning van 12 volt en IC2-1. De op-amp uitgang kan niet lager worden dan ca. 1,6 volt en aan de bovenkant niet hoger dan ca. 11 volt. Voor een zekere werking moet de regelspanning ruim binnen dit venster blijven en mag niet lager komen dan 2 volt en niet hoger dan 10 volt. Met de trimmer stel je het midden van de VCO regelspanning zo in dat die zich beweegt rondom het midden van deze spanning, dus 5 à 6 volt. Dan blijf je met de uitersten van de regelspanning ruimschoots binnen het bereik van de op-amp. Als je nu ziet dat de regelspanning aan de onderkant lager komt dan 2 volt of aan de bovenkant hoger dan 10 volt en je kunt dat met de trimmer niet goed krijgen dan is de resonantiefrequentie van de kring iets te hoog of te laag en moet je de VCO controleren en aanpassen zoals hierboven is beschreven.

 

Nu moet iedereen z'n VFO "fluitend" in orde kunnen krijgen.

Ik heb nu zelf ook de nieuwe versie gebouwd en hij zit in het prototype van de transceiver. Alleen was de regelspanning van de VCO wat aan de lage kant, ca, 2 tot 4 volt. Maar hij lockte prima op de digipuls. Te lage spanning betekent iets te weinig zelfinductie, ik had 25 windingen op het spoeltje gelegd. Om dat gemakkelijk aan te passen heb ik een extra 10pF aan de onderkant over C4, 220pF gezet. Nu ging de regelspanning van ca. 4 tot 6 volt en hij is met de trimmer op elke waarde tussen 2 en 11 volt perfect in te stellen.

 

 

De banden-VCO.

1  Bouw aanwijzingen

  • Het spoeltje moet met piepschuim vastgezet worden zodat het niet microfonisch
  • DE BB909 in de banden VCO is er ook niet meer. Maar daarvoor is er een SMD vervanger, de BBY42. Als die er bij zitten zijn ze op een printje gemonteerd.
  • De reden voor het gebruik van 24 volt als voedingsspanning voor de banden VCO is dat voor het volle frequentiebereik zo'n 16 tot 20 volt nodig is.
  • De spoel kan gewikkeld worden op hetzelfde Teflon, waar ook de spoel van de 10MHz VFO opgewikkeld is. Dat is geen slecht idee! Alleen krijgt de spoel dan meer windingen om hetzelfde afstembereik te krijgen. Ik denk dat als je dezelfde lengte van het draad neemt, als nodig is voor de gegeven spoel bij de gegeven diameter, de zelfinductie vrijwel hetzelfde is. De spoel kan wel erg lang worden. Als je hem maakt zoals in het schema is aangegeven werkt hij in ieder geval. De spoel moet een zo hoog mogelijke Q hebben i.v.m. de ruiseigenschappen. Daarom is het een luchtspoel en dik draad. Om microfonie tegen te gaan steek je tussen de spoel een de wand een stukje piepschuim. Zie figuur 1.

 

 

Figuur 1

2. Werking

Als je de banden-VCO gebouwd hebt, samen met de synthesizer, dan werkt veelal alles in één keer. Als je de twee spanningen er op zet en het signaal van de kristaloscillator, is de eerste test om te zien of de afstemspanning verandert als je de bandschakelaar verzet. Als je van 0 naar 900 KHz omhoog schakelt moet de regelspanning bij elke stap oplopen. Als dat zo is werkt (bijna) alles! Daarna kun je met een counter meten of de juiste frequenties uit de VCO komen. Op de VCO uitgang die naar de mixer gaat meet je de VCO frequentie en die moet lopen van ca. 20 tot 40 MHz. Hij staat altijd 10,7 MHz boven de ingestelde band frequentie Op de deler uitgang komt, afhankelijk van de keuze van hoge of lage band, de VCO frequentie gedeeld door 10 of 20. Als het niet werkt kunnen er veel oorzaken zijn. Meet de voedingsspanningen en kijk of het kristaloscillator signaal van 10 MHz er is. Is de VCO goed verbonden en heeft die voedingspanning? Probeer door logisch te denken de fout te vinden, er kan niet veel mis zijn. ON6MR heeft ze gebouwd en alles werkte in één keer goed. Als je de twee spanningen er op zet en het signaal van de kristaloscillator, is de eerste test om te zien of de afstemspanning verandert als je de bandschakelaar verzet. Als dat zo is werkt (bijna) alles!

Daarna kun je met een counter meten of de juiste frequenties uit de VCO komen. Op de VCO uitgang die naar de mixer gaat meet je de VCO frequentie en die moet lopen van ca. 20 tot 40 MHz. Hij staat altijd 10,7 MHz boven de ingestelde band frequentie. Op de deler uitgang komt, afhankelijk van de keuze van hoge of lage band, de VCO frequentie gedeeld door 10 of 20.

 

Als het niet werkt kunnen er veel oorzaken zijn. Meet de voedingsspanningen en kijk of het kristaloscillator signaal van 10 MHz er is. Is de VCO goed verbonden en heeft die voedingspanning? Probeer door logisch te denken de fout te vinden, er kan niet veel mis zijn.

 

EEN "FLUITJE" OP 7080 KHz.

Als je zonder antenne afstemt op 7080 KHz hoor je een "fluitje".

Met de antenne er aan is het heel zwak maar het blijft hoorbaar. Het was me ontschoten omdat ik het zelf opgelost heb maar ik werd er op attent gemaakt door één van de bouwers. Het is niet gemakkelijk geheel weg te krijgen.

Het ontstaat door harmonischen van de frequentie die uit de deler van de banden. VCO naar de synthesizer gaat. 4 X 1770 = 7080 KHz maar óók door 6 X 1770 = 10620 KHz. Je kunt het verzwakken met zuigkringen. Maar je kunt het ook "tegen faseren" zoals ik zelf gedaan heb. Als je het absoluut kwijt wilt moet je de MF veranderen van 10,7 naar 10,8 MHz en dan de bandensynthesizer één 100 KHz stap hoger zetten. Dat kan gemakkelijk omdat de VFO over 200 KHz is te verstemmen.

 

De Bandenfilters en Junction print

 

  1. Bouwaanwijzingen

 

1.1 De printen bestukken

  • De foto in Electron, januari 2003, blz.15 is die van het prototype. Hij verschilt veel van de definitieve uitvoering! Neem hem dus niet als referentie maar als algemene richtlijn.
  • De plaats van de bandenfilters is op het bovendeksel van de onderste doos aan de
  • Monteer het zo dat de randjes van de BNC connectors ongeveer gelijk liggen met de achterkant van de behuizing. Dan kun je de BNC’s van de snoerdelen er gemakkelijk op- en afdoen.
  • De lage-banden filters zitten aan de ingangszijde in het doosje, de hoge-banden aan de uitgangszijde.
  • De condensatoren in de filters zijn op de print dubbel Bij één gaatje staat dan de S van "Spare". Zo kun je door combinaties van condensatoren toch op de goede waarde uitkomen. Als voorbeeld zie je in het 20 meter filter 20 pF samengesteld uit 18pF en 2P2.
  • Voor de 3N3 in het 160 meterfilter zijn twee C'tjes van 1n5 geleverd.
  • Voor de 10pF is soms 8p2 en 2p2 geleverd.
  • De transistoren BFR96 en BFQ34 komen uit de omzetters. Je moet de pootjes voorzichtig ombuigen, niet stijf tegen de transistor maar met een nageldikte tussen pootje en transistorhuisje. Nu kan het zijn dat de pootjes te kort zijn. Steek dan een stukje blank montagedraad (afknip weerstanden) mee in de gaatjes en soldeer ze daarna. Dan heb je zeker een goede verbinding.
  • De koppelcondensatoren in de filters die naar massa zitten zijn niet kritisch. Ze bepalen alleen de bandbreedte van de filters. Die is een stukje groter dan de band, anders zouden de filters te kritisch worden. Dus als de c's een klein beetje afwijken maakt dat voor het resultaat niets uit.
  • De twee teflon coaxkabeltjes kun je het best als volgt maken.
    • Bepaal eerst de benodigde lengte en knip die af.
    • Verwijder de buitenmantel over ca. één centimeter en knip of snij de afscherming weg tot ca. twee mm van de rand van de buitenmantel.
    • Verwijder over ca. 5mm het teflon van de binnenader.
    • Wikkel nu een dun stukje blank montagedraad twee slagen over de afscherming en laat er een centimeter aanzitten.
    • Vertin dit, en ook de binnenader. Doe dit aan beide uiteinden en het kabeltje is klaar voor montage.
  • T8, een BFR96, moet je op zijn kop monteren! Daarom staat de tekst er in spiegelbeeld op.
  • Voor de 47Ω gebruiken we 56Ω.
  • De filters voor 160 en 80 meter hebben geen trimmer. Ze staan wel op de print maar je vindt ze ook niet in het pakket. Op de plaats van C97 en C113 moet je nu een condensator, als in het schema aangegeven monteren.
    • Voor de drie hoogste banden gebruiken we de gele trimmers, die zijn 10 pF.
    • Voor de twee andere banden gebruik je de blauwe trimmers, die zijn 15 pF.
    • Van de schakeldiodes BAS45, zijn de "onderste" liggend gemonteerd, en de "bovenste"
    • Op de lay-outtekening is van verschillende diodes en ontkoppelcondensatoren de nummering niet vermeld. Maar de filters zijn allemaal gelijk behalve de frequentiebepalende componenten.
  • Bij D23 en D25 staat een verkeerde tekst.
  • De condensator boven C52, bijna helemaal rechtsonder op de lay-out is C67, 22nF.
  • Als je vanuit de rechter onderhoek iets naar boven gaat zie je onder C62, R41 Dat is R40 (De indicatie R40 die links daarvan staat moet je wissen).
  • C95 staat niet op de print en hoeft er ook niet in.
  • C69, 82pF zit niet op de print. Hij hoeft er ook niet in.
  • De beide +RX-en aan R12 en R21 zijn op de print samengevoegd tot één +RX.
  • C93 en C110 zijn op de lay-out niet genummerd.
  • 15 en 17 meter filter. Er moet nog wat capaciteit bij tot ca 36 pF. Je hoort het nog.
  • 160 meter filter. Ook dit vraagt een kleine correctie die je nog krijgt.
  • Bandenfilter, R67, 2K2 verkleinen naar 680Ω.
  • Voor de 5 pF TRIMMER in het bandenfilter is een 10 pF, geel
  • R13, 2.2Ω, in het bandenfilter zit niet in het pakket. Het is geen kritische waarde, 1, 3,3 of 4,7Ω mag ook. Hopelijk heb je zoiets maar als het niet lukt om er aan te komen handel dan als boven aangegeven
  • Er is nog een foutje op de print. Er ontbreekt een verbinding tussen C19 en C22.
  • BFQ34T en BFQ34. De BFQ34T is de kleine broer van de BFQ34 met de grote flaporen. J. De kleine BFQ34T zit in de omzetters tussen de twee UHF filters. Voorzichtig uitsolderen!

 

1.2 De aanpassingen in de bandenfilters

De filters kunnen als volgt geoptimaliseerd worden en hier volgen de waarden van de condensatoren die aangepast moeten worden. Ik moet er op wijzen dat er dan nog wel eens kleine afwijkingen kunnen optreden omdat er altijd enige toleranties in de componenten zijn, maar die zijn erg klein. Waarschuwing! Raak niet in paniek (HI) als je deze aanpassingen ziet. Doe voorlopig niets als je de transceiver al gebouwd hebt want met de aangegeven waarden werkt het ook. Maar als je de bandenfilters nog moet bouwen gebruik dan de waardes uit de volgende gegevens.

Wijzigingen Bandfilterschakeling SSB-2 transceiver van PA0SKF

12 en 10 meter band:
C1//C6 = C3//C12 = 15p3 (12p + 3p3)
C9 = 10p
C7//C8 = C10//C11 = 147p (100p + 47p)
Over L2 een shuntweerstand van 39k om piek in 12 meter band 6 dB te dempen;
G(P) wordt daardoor geen 46 dB maar 40 dB.

17 en 15 meter band:
C19//C22 = C21//C24 = 28p (27p + 1p)
C23 = 33p
C25//C26 = C27//C28 = 330p

20 meter band:
Nog geen wijzigingen, maar ik ben niet tevreden over het frequentiegebied van 12,7 t/m 14 MHz. Sjoerd gaf telefonisch voor dit filter de volgende waardes door: C44 en 46 worden 270 pF.

30 meter band:
C54//C59 = C56//C61 = 24p2 (22p + 2p2)

40 meter band:
C76//C81 = C78//C83 = 50p9 (47p + 3p9)

80 meter band:
C96//C99 = C98//C101 = 138p (120p + 18p)
C97 = trimmer 22p (groen)
C100 = 120p

160 meter band:
C112//C116 = C114//C118 = 160p (150p + 10p)
C113 = trimmer 22p (groen)
C117 = 150 p
C119//C120 = C121//C122 = 1n5

 

 

Verder heb kan de output voor 160m, 80m en de 40m band nog wat meer opgehaald worden door de terugkoppelweerstand R67 aan te passen: 2k7//2k2+15p. Dus R67 wordt 2k7 met daaroverheen geshunt een serieschakeling van een R=2k2 en een C=15p.

 

 

1.3 De montage van de printen in de blikjes.

Het zou uit het oogpunt van bedrading gezien erg logisch zijn om bij het bandenfilter de verbindingen tussen de verschillende +RX en +TX punten over de print te leggen. De reden om dat niet te doen is, dat daarmee de werking van de filters verslechtert. Een filter werkt optimaal als de ingang en uitgang zo goed mogelijk van elkaar gescheiden zijn. Door die bedrading, die dan van de ingang naar de uitgang van de filterdoos zou lopen, ontstaan er ongewenste koppelingen. Er zou dan verslechtering van de werking van de filters op kunnen treden. Bovendien zou je dan de massa op de print meermalen moeten doorsnijden en die massa is nu juist het sterke punt van deze opzet. Die loopt van de ene naar de andere kant onder de filters door, en daardoor geven ze een hoge isolatie tussen de ingang en de uitgang. Monteer dus alle DVC's zoals aangegeven en verbind de gelijke punten met elkaar door aan de buitenkant van het doosje.

Dan is er een vraag waarom de printen in het midden van de blikjes gemonteerd zijn. Het antwoord is: Om aan de onderzijde, tussen de sporenkant van de print en het onderdeksel, genoeg ruimte te hebben om de DVC's èn de BNC connectors te kunnen monteren. Het midden van de gaten van DVC's en BNC's zit ca.7 á 8 mm van de onderste rand van de blikjes. Je moet dat zelf even uitmeten en de exacte hoogte boven de onderrand vaststellen. Aan de bovenkant van de print blijft genoeg ruimte over voor de componenten en de hoogte is voldoende om geen invloed te hebben op de werking van de filters door het bovendeksel. De plaats van de DVC's in de zijkanten is zo dicht mogelijk bij het aansluitpunt op de print.

 

1.4 De montage van de componenten op het bovendeksel.

Het bovendeksel van de omzetter-doos gebruiken we om delen van de transceiver, bandenfilter, banden VCO, schakelprint en displayvoeding op te monteren. Een eerste indruk van de opzet krijg je als je de (helaas gedeeltelijk mislukte) foto in Electron, september 2002, blz. 368 bekijkt. Nu is dat het prototype maar de elementaire opzet van het monteren van delen op het deksel is gebleven alleen de uitvoering is veranderd. Op de nieuwe foto's zie je hoe de drie delen op het bovendeksel gemonteerd zijn en er is een foto van de onderkant van het deksel. De blikdeksels voor bandenfilter en VCO zijn met korte M3 schroefjes, moertjes en ringetjes op het alu deksel gemonteerd. De kopjes van de schroeven zitten aan de bovenkant. Zorg er voor dat de doosjes van bandenfilter en banden VCO goed klemvast in de deksels zitten maar toch ook weer zo dat je ze gemakkelijk los kunt nemen.

 

Het bandenfilter ligt zover mogelijk naar de achterkant van de transceiver zodat de connectors buiten het kastje uitsteken. Dat is gemakkelijk als je de BNC pluggen er op en af moet doen. De aansluitingen van de +12 volt, de +RX en +TX van het bandenfilter zijn gemakkelijk aan de schakelprint te verbinden.

 

  • Het junction printje soldeer je aan de linkerkant van het bandenfilter net iets onder de rand van het deksel. Dan kunnen van daaruit alle draadjes naar de filters door een gat van ca. 5mm in het blik naar binnen gevoerd worden. Bij elk filter zit daarvoor een eilandje aan elke 56 Ω. Let op dat je alles in de juiste volgorde aansluit! De bedrading kun je doen met gewoon soepel draad waarvan je later een mooi kabelboompje maakt. Maar als je het hebt kun je ook een stukje bandkabel gebruiken. Maak het niet te kort zodat er ruimte is en het kan bewegen als je bijv. de voorkant moet kantelen.

 

Het ‘junction’-printje is met de soldeerstrip tegen het blik gesoldeerd. Daarbij moet je een randje print wegvijlen tot het lijntje dat op de bovenkant aangegeven is. Dan komt het vertinde stripje tegen het blik en kun je het gemakkelijk solderen. Deze constructie is zo bedacht omdat je nu het bandenfilter los kunt maken en omkeren terwijl alle draden vast kunnen blijven zitten. Alleen de kabelboom naar de bandenschakelaar beweegt maar als je soepel draad gebruikt kan dat best een aantal keren bewogen worden zonder af te breken. Voor de aansluitingen naar de eindtrap maken we nog een verloop naar een stekker zodat je die gemakkelijk los kunt maken. Ik heb er ook een foto van gemaakt en als voorbeeld is er een aantal draden aan gesoldeerd die naar de aansluitingen op de filterprint gaan (Protoprint!). Zie verder bij bedrading.

 

1.5 De bedrading van de bandenschakelaar, junctionprint en bandenfilter

  • De bandenschakelaar zit met een bundeltje draden aan de vierkante aansluitingen op het junctionprintje. Bij de montage hiervan moet je goed opletten dat de standen van de schakelaar overeenkomen met de juiste aansluitingen op het printje. Maar de lay-out tekening is op dit punt heel duidelijk.
  • Filter 1, 160 meter is het filter dat het dichtst bij de junctionprint zit
  • Maak draden van de juiste lengte zodat je het deksel kunt opklappen en de synthesizerprint kunt losmaken. Dat kun je uittesten door één draad te monteren. Er is ook een foto op de website, van de losgenomen synthesizerprint.
  • Op de foto van het bandenfilter zie je dat de aansluitingen van het junctionprintje naar de filters, door een gaatje van 5 mm in het blik gaan, en dan naar de aansluitpunten van het filter. In het blikgaatje zit een stukje kous o.i.d. om de draden niet te laten beschadigen door de scherpe blikrand.
  • Als je die nog niet gemonteerd hebt, zorg er dan voor dat de rechtopstaande weerstanden van 56Ω, die de filters aan- en uitzetten, een lang draadje hebben aan de onderkant van de print. Laat zoveel over dat je een oogje kunt buigen. Daaraan kun je dan de aansluitingen van de draden naar de junctionprint solderen.
  • De +12 volt komt van de spanningsrail en die kun je aan de bovenkant doorlussen. Eerst naar de schakelprint, dan naar de VCO, de bandenfilters en de displayvoeding.
  • De +RX en +TX moet je twee keer bevestigen aan de schakelprint want één draad gaat naar de SSB print, de andere naar het bandenfilter. Daar zijn soldeeroogjes voor, maar die kun je ook gemakkelijk zelf maken. Buig een oogje aan een stukje blank montagedraad. Zet dat in de print met het oogje aan de bovenkant. Daar kun je dan de twee draadjes in en aan monteren. Let op dat je die draden ook lang genoeg laat zodat je beide modulen gemakkelijk los kunt maken en omkeren voor als je eens aan de onderkant er van moet meten of solderen.
  • Alle verbindingen waar HF op staat zijn met Teflon coax uitgevoerd. Dat geldt dus ook voor de verbinding tussen bandenfilters en de SSB print. Die is op het bedradingschema niet als zodanig getekend.

 

2 Afregelen en toelichting

 

Controle van de filters kan heel gemakkelijk als we de output van de zender meten op de verschillende banden en frequenties. Dat gaat het best met een outputmeter voor 50Ω en een meetbereik van 100 mW. Je leest dan op één schaal direct de verschillen af tussen de verschillende banden.

Zet voor de meting de zender in "Tune", dan heb je de CW draaggolf met een constante amplitude. Regel nu de output met de power regeling af op een bepaalde waarde, bijv. 50 mW. Nu kun je door alle banden draaien met de beide banden- en kilohertz schakelaars, waarbij je de output op alle frequenties afleest. Schrijf ze op zodat je later de verbeteringen vast kunt stellen.

Zo'n meetinstrument heeft niet iedereen maar je kunt zelf een eenvoudige power-meter maken van een analoog metertje van bijv. 100 of 200 µA en een germaniumdiode, bijv een AA119. De schakeling daarvoor vind je in diverse handboeken.

Heb je geen power-meter dan kun je het met een oscilloscoop doen, mits die hoog genoeg in frequentie gaat. Sluit dan de zender af met een weerstand van 50Ω en meet de spanning over de weerstand. Je meet dan de piek-piek waarde van het HF signaal en je moet hieruit wel de effectieve waarde berekenen om de power vast te stellen. Dat is wat omslachtiger maar je leest wel beter verschillen af. 100 mW is 2,24 Volt effectief, dat is ca. 6,3 volt pp.

 

2.1 Ongewenst oscilleren van de versterkers in het bandenfilter.

Dat treed op bij zenden en het is me ook door meerdere mensen gerapporteerd. Het komt door de grote versterking van de 2x BFR96 en de 4x BFQ34 versterkers. Het wordt erger als je het deksel op het doosje doet omdat er dan koppelingen optreden via het blik.

Niet iedereen had dit probleem niet. Soldeer de print overal waar mogelijk aan het blik. Dat geeft natuurlijk een zeer goede massa. Dat is vooral belangrijk aan de kant waar de connectors zitten en speciaal bij de zenderconnector. Soldeer aan die kant de print over de hele lengte aan het blik en ook bij de 2x BFR versterker.

Heb je de connectors gemonteerd zoals aangegeven? Belangrijk hierbij is de verbinding van de 4x BFQ versterker naar de uitgangsconnector. Daar staat het meeste hoogfrequent op en dat straalt. Die verbinding moet zo kort mogelijk zijn, niet meer dan enkele millimeters. Het heeft zin om C38 aan de onderkant van de print te monteren, direct tussen het printspoor en het midden van de BNC connector en zo dicht mogelijk tegen het blik.

Ook de verbindingen naar de doorvoercondensatoren moeten zo kort mogelijk zijn daarom moet je ze zo dicht mogelijk bij de aansluitpunten op de print monteren.

Zorg er ook voor dat het coaxkabeltje dat tussen de uitgang van de filters en de ingang van de 2x BFR versterker zit, aan beide kanten goed en zo kort mogelijk aan de massa van de print zit.

De belangrijkste reden van het oscilleren is de te grote versterking van de twee versterkerkers. Door die te verminderen is het oscilleren over maar er is nog ruim voldoende output. Bovendien is er dan geen invloed meer van de deksels.

Het kan door de serieweerstand R64 tussen de versterkers te vervangen door een instelpotmeter van 220Ω. Zo kun je de totaal-versterking regelen en wat verminderen waardoor het oscilleren verdwijnt.

Een andere oplossing is door de terugkoppelweerstand R67 in de 2x BFR96 versterker te verkleinen naar 680Ω. Dat gebeurt ook bij de ontvangerversterker als we die "uitschakelen". Zo krijg je een mooie gelijkmatige output van ruim 100 mW over het hele bereik van alle banden met een iets oplopen op de hogere banden. Ik raad deze manier aan omdat je dan echt de versterking terug brengt.

Ik heb het in m'n prototype ook gedaan en het werkt perfect. Er is ruim voldoende sturing voor de eindtrap want die heeft maar ca. 20 mW nodig.  

 

Tijdens de metingen om bovenstaande waardes vast te stellen vond ik dat de eerste zenderversterker met T7 en T8 te veel versterkte tussen 20 en 30 MHz. Dat komt door L 23, het 10 µH spoeltje in de collector. Dat heb ik er indertijd ingezet om de versterking op de hoge banden wat groter te maken maar kennelijk "doet" dat te veel. Nu zijn er ook mensen bij wie de versterker stond te oscilleren op 28 MHz, 10 meter en ik denk dat daar de oorzaak ligt. Bovendien vond ik dat de versterking op 30 en 20 meter wat te weinig was. Door nu de resonantiefrequentie van L23 te verlagen met een parallelcondensator van 47 pF werd de versterking over het hele gebied van ca 10 tot 30 MHz meer gelijkmatig.

 

 

Maar kijk bij oscillaties  goed naar de afschermingen en massaverbindingen. De hierboven aangegeven verandering van de versterking lost het probleem echter gemakkelijker op.

 

 

De Schakelprint

 

Bouwaanwijzingen

 

NIET in het pakket zitten de componenten links van de stippellijn op de schakelprint. Ze horen bij de eindtrap.

 

  • Op de schakelprint ontbreken R29 en R14. Ze staan wel op het schema dus ze moeten er in.
  • R14 kun je aan de onderkant monteren als je het spoortje naar C11 onderbreekt. Of misschien heb je zelf een beter idee.
  • De benamingen van IC1 en IC2 zijn verwisseld.
  • Op de plaats van R13 (100 Ohm) wordt R14 (1K5) gesoldeerd. Waar de power draad moet komen soldeer je de ene kant van R13 en de power draad komt aan de andere kant van R13.
  • Schakelprint, R45 veranderen naar 2K2.

 

  • De meteraansluitingen gaan naar het schakelprintje. WAARSCHUWING! Sluit de meter nog niet aan. Doe dat pas later nadat je heel zeker bent dat er geen verkeerde spanning op komt of dat er een sluiting in de bedrading zit. Daardoor zou je de meter kapot kunnen maken. Het beste kun je eerst met een andere meter controleren of de stroom de 100 µA niet overschrijdt.

 

  • De schakelprint heeft de meeste aansluitingen en is daarom aan de voorkant gemonteerd. De kant met de meeste aansluitingen wijst naar het midden zodat je daar later de draden tot een kabelboompje kunt samenbinden. Let op! Doe dat samenbinden het laatste, als alles werkt, want tijdens het in bedrijf stellen bewegen de draden meermalen en kunnen afbreken. En dat gebeurt sneller als ze vast zitten in een kabelboom.

 

  • Van de schakelprint gaan draden naar de VFO- en SSB-print onder in het kastje. Dat zijn een +12 volt, de +RX en de +TX. Ze gaan eerst naar de voorkant en buigen door het vierkante gat waar vroeger de stekker zat, naar de betreffende aansluitingen op de prints. Let op de lengte!

 

  • De +12 volt komt van de spanningsrail en die kun je aan de bovenkant doorlussen. Eerst naar de schakelprint, dan naar de VCO, de bandenfilters en de displayvoeding.

 

  • De +RX en +TX moet je twee keer bevestigen aan de schakelprint want één draad gaat naar de SSB print, de andere naar het bandenfilter. Daar zijn soldeeroogjes voor, maar die kun je ook gemakkelijk zelf maken. Buig een oogje aan een stukje blank montagedraad. Zet dat in de print met het oogje aan de bovenkant. Daar kun je dan de twee draadjes in en aan monteren. Let op dat je die draden ook lang genoeg laat zodat je beide modulen gemakkelijk los kunt maken en omkeren voor als je eens aan de onderkant er van moet meten of solderen.

 

 

Bij de schakelprint zitten de schroeven andersom, met de kopjes aan de onderkant en ze hebben een lengte van 15 mm. De boutjes zijn eerst met een moertje en een ringetje aan de bovenkant van het deksel vastgezet. Het schakelprintje is dan vier keer met twee moertjes aan de boutjes bevestigd en zo kun je de hoogte van het printje instellen. Nu kun je ook het printje voor montage gemakkelijk losmaken, je hoeft alleen de bovenste moertjes er maar af te draaien. Je kunt dit natuurlijk ook met M3 draadeind en moertjes doen. Het aftekenen van de gaatjes in het deksel is precisiewerk. Maak ze wat groter, bijv. 3,5 mm, anders krijg je het heel moeilijk passend. Let op dat er aan deze print een goede massaverbinding gemaakt moet worden met een aparte draad naar de massa van de VFO print. Dat geldt natuurlijk voor alle modulen. Er moet altijd een massaverbinding blijven bestaan, ook als je ze losmaakt! Al is het maar via b.v. de massa van een coaxkabel. Anders kunnen er spanningsverschillen ontstaan waardoor componenten beschadigd kunnen raken of kapot kunnen gaan.

 

 

De display en voedingsoscillator.

 

1 Bouwaanwijzingen

 

De BSX20 staat op de displayprint met 4 pootjes getekend, maar hij heeft maar 3 pootjes.

 

De display heeft een gevoeligheid van 200mV. Dat is te gevoelig voor onze toepassing

en hij moet dan ook aangepast worden naar een lagere gevoeligheid van ca. 3 volt. Dat gaat erg gemakkelijk, op het printje is er al rekening mee gehouden. In het boekje in het doosje staat het ook aangegeven. Je moet vier dingen doen:

  1. Monteer een brugje op P3.
  2. Verwijder de brug bij RB.
  3. Monteer een weerstand van 3k3 op RA.
  4. Monteer een weerstand van 1M op RB.
  • Er gaan dus twee draadjes van de voeding naar de display. Bij de aansluiting van de voeding op de display is de plus de onderste van de twee aansluitingen!
  • Over de voedingsaansluiting kun je een condensator van 100 nF zetten, hij staat op de print van de display getekend.
  • De oscillator van de displayvoeding werkt op ca. 8 MHz. Zie ook blz. 69 van Electron, februari. In tegenstelling tot het geschrevene heeft de koppelspoel 15 windingen.
  • In de stuklijst staat een condensator van 47pF. Deze is in het schema 82pF. De stuklijst wordt aangepast naar 82pF.
  • De voedingsspanning van de display is niet kritisch, die mag variëren tussen 8 en 12 volt. Dus als de oscillator ca. 9 tot 10 volt geeft werkt het goed. Je kunt hem testen door hem te belasten met een weerstand van 10k. Onbelast geeft hij ca. 15 tot 18 volt. Als die spanning te laag is mag je de emittorweerstand van de BSX20 wat verkleinen. Eventueel door er een weerstandje aan parallel te zetten.

Je kunt hem eerst gerust zonder doosje gebruiken. Als je op die frequentie gaat luisteren met een andere ontvanger hoor je hem wel maar in de transceiver stoort hij niet. Indien nodig kun je er later altijd nog een doosje omheen bouwen. Een doosje uit een omzetter leent zich daar goed voor.

 

De meteraansluitingen gaan naar het schakelprintje. WAARSCHUWING! Sluit de meter nog niet aan. Doe dat pas later nadat je heel zeker bent dat er geen verkeerde spanning op komt of dat er een sluiting in de bedrading zit. Daardoor zou je de meter kapot kunnen maken. Het beste kun je eerst met een andere meter controleren of de stroom de 100 µA niet overschrijdt.

 

2 Uitproberen?.

Ook als je de DVM alleen maar wilt uitproberen moet er een absolute scheiding zijn tussen de meetingang en de voeding. Als je voor de voeding van de DVM een voedingsapparaat gebruikt moet je voor de te meten spanning een batterij gebruiken.

Monteer eerst de 3k3 en de 1M op RA en RB zoals aangegeven. Hij wijst dan van 0 tot 100 aan. Zie ook het bijgeleverde boekje voor de aansluitingen.

 

3 Werking

De spanning van de afstempotmeter heeft een spanningszwaai van ca. 3 naar 9 volt. Die staat ook op de uitgang van de spanningsvolgers IC13-1 en IC9-1. De uitgang van IC9-1 "stuurt" de display die bij juiste afregeling de frequentie aanwijst. Dit deel heeft zijn eigen afregeling. Met P4 stel je de display bij 3 volt in op min 10 en met het potmetertje op de display bij 9 volt op plus 110. Deze afregeling moet je een paar keer herhalen omdat er wat interactie is tussen de twee instellingen. (Doe de displaymodificatie met de 3k3. Kleine afwijkingen zijn niet van belang. Stel dat de display bijv. -12 en +114 aangeeft. Dat betekent alleen dat straks de frequentie aan de onderkant 12 kHz onder de 100 kHz komt en 14 kHz boven de 100 kHz van dat segment. De "overlap" is wat groter. Dus als een van de twee instelpotmeters aan het eind van zijn regelbereik zit maar je hebt vrijwel de goede aanwijzing, laat het dan zo. Het verandert nooit meer en zeker niet uit zichzelf of er moet iets kapot gaan. Wil je toch het heel precies doen, dan moet je weerstanden aanpassen. Maar als dit eenmaal in orde is hoef je hier nooit meer iets aan te doen. Als de frequentie later niet klopt zit het probleem niet hier maar ergens anders.

 

De VFO en de afstempotmeter hebben dus twee verschillende spanningsbereiken. Die kunnen we nooit zo precies maken dat ze zonder meer aan elkaar geknoopt kunnen worden. Er zijn altijd toleranties in de weerstanden en bovendien, als je het uitrekent kom je op rare waarden van weerstanden die moeilijk verkrijgbaar zijn. Om de twee spanningen precies op elkaar aan te passen dient IC2-2. Bovendien gebruiken we die om de richting van de afstemspanning om te keren, bovenmenging 1e mixer, zie Electron. Door het instelpunt en de versterking instelbaar te maken met twee instelpotmeters P3 en P1 kun je beide spanningsbereiken op elkaar afregelen, dat wil zeggen, je past de VFO aan op de display want de displayindicatie is de frequentie! Met P3 regel je het midden van het VFO bereik, 10,195 af op 50. Met P1 stel je de hoge en lage frequentie in op de 100 kHz punten, de "span". Deze afregeling moet je een paar keer doen want er is toch enige interactie tussen de twee potmeters. Je zult dat merken als je exact op de 100 kHz punten gaat afregelen. Dat doen we overigens pas als de ontvanger werkt, want dan kun je met de synthesizer een beatnote maken exact op elke 100 kHz

 

4 De afregeling van de frequentieaanwijzing met de dvm.

Zie ook Electron, december, blz. 522. Let op dat de meter iets overlap heeft en b.v. van -10 tot +110 aanwijst. Dan heb je aan beide kanten van de 100 kHz tien kHz overlap.

Geheugensteuntje. De frequentie van de VCO, dus van de gehele VFO loopt tegengesteld aan de afstemspanning (zie Electron). Maar dat is pas na IC2-2 want die keert het spanningsverloop om. De DVM volgt gewoon de potmeterspanning.

 

Als alles goed werkt dan is de afregeling als volgt:

  • Zet eerst de afstempotmeter geheel linksom en regel met P4 de DVM af op -10. Draai hem nu geheel rechtsom en regel het potmetertje op de display af op +110. Als de synthesizer er op zit is dat wat lastiger maar dan gaat het met een pincet of een tangetje
  • Zet nu de afstemming op 50 en regel met P3 op de SSB print de frequentie op 10,195 MHz. Dat meet je met een counter of een ontvanger. Je kunt ook de 195 kHz bij transistor T3 gebruiken
  • Regel nu op de SSB print de VCO spanning met de trimmer af op 5 volt. (Is midden van VCO frequentiebereik). LET OP! Bij de volgende afregeling loopt de frequentie tegengesteld aan de afstemming!
  • Zet de DVM op 100 en regel op de SSB print met P3 de frequentie af op 10,145 Dat hoeft nog niet zo erg nauwkeurig te zijn, het gaat er nu om dat alles ongeveer klopt. Als de ontvanger klaar is doen we de exacte afregeling m.b.v. de 100 kHz uit de synthesizer. Dat gaat veel gemakkelijker en nauwkeuriger. Bovendien regelen we dan de zijband correctie af met P2 op de SSB print en dat kan het beste als alle schakelaars aangesloten zijn en werken

 

 

 

 

De Controlbox

 

1 Bouwaanwijzingen

Veel mensen vroegen om een BFW20 i.p.v. een BFW10. Dit is een fout in het schema van de control-box! Die FET is een BFW10 en die zit gewoon in het pakket. Let op! De BSX20 is een gewone transistor, die mag je niet verwisselen met de BFW10. De BFW10 heeft vier aansluitingen en de BSX20 drie.

 

1.1 Onvoldoende output en sturing bij ssb en genoeg bij cw.

De oorzaak is een te lage +TX spanning. In mijn prototype gebruik ik nog een relais om de +RX en de +TX te schakelen. Dat geeft een harde 12 volt voor beide spanningen. Maar op de schakelprint gebruiken we transistoren die de twee spanningen leveren en daardoor was de +TX maar ca. 10,5 volt. Die spanning gebruiken we ook om de diodeschakelaar S3 op de SSB print te schakelen. En omdat die spanning net iets te laag was ging T7 niet goed uit geleiding bij zenden. Daardoor bleef diode D171 in geleiding en kwam er niet genoeg dubbelzijbandsignaal uit de balansmodulator aan de ingang van het SSB filter. 

De oplossing is tweevoudig. Ten eerste moet de weerstand R45 op de schakelprint van 4K7naar 2K2. Dan wordt de +TX ca. 11,2 volt. Ten tweede verklein je de weerstand R178 op de SSB print naar 4K7. Dan gaat T7 goed uit geleiding bij zenden en ook D171.

 

1.2 De muting van het microfoonsignaal bij ontvangen.

Als je de microfoon aansluit hoor je die bij ontvangen en hij gaat rondzingen. Dat komt omdat er dan LF uit de microfoonversterker op de productdetector/balansmodulator komt.

Nu gebruik ik zelf een microfoon waarbij de PTT schakelaar ook de microfoon uitzet bij ontvangen. In de micro zit een 3 volt batterij die zowel de PTT als de mike van spanning voorziet, dat gebeurt met twee transistoren. Als er belangstelling voor is kunnen we het schema op de website zetten. Ook zijn er printjes en er is een beschrijving voor zo'n mike want hij wordt zo gebruikt bij de SSB-1 transceiver. Dat is de reden waarom ik er niet verder bij nagedacht heb hoe het bij deze transceiver moet. SRI!

Er zijn mensen die het probleem al op hun eigen manier opgelost hebben, bijv. met een klein relais. Maar een goede oplossing geeft een schakeling zoals T4 en T5. Die zorgt er voor dat bij zenden het laagfrequent van de ontvanger uitgeschakeld wordt want anders zou je ook dan de mike horen.

Belangrijk  hierbij is dat het uit- en inschakelen "plopvrij" gebeurt. T5 is hiervoor als schakelaar gebruikt die het ontvanger-LF bij zenden kortsluit. De collector staat op nul volt dus er is geen spanningsverandering die het ploppen zou kunnen veroorzaken.

Zo'n zelfde schakeling maar dan met twee NPN transistoren kan je parallel zetten aan P2, de laagfrequent-regelaar voor de zender. Die sluit dan het LF kort bij ontvangen. P2 moet dan wel eerst DC spanningsvrij gemaakt worden door een condensator in serie met R17 te zetten. De eerste transistor van dat nieuwe schakelingetje is dan ook een NPN waarvan de basis met een weerstand aan de collector van T4 zit.

 

1.2 Oscilleren van de microfoon compressor/versterker.

De microfoonversterker kan oscilleren. Dat komt door de op-amp. Als daar een Texas-Instruments IC in zit kan die oscilleren, een Philips IC doet dat niet. De verschillende merken zijn door elkaar geleverd. De oplossing is een condensatortje van 100-220 pF tussen de - ingang en de uitgang. Je kunt het aan de onderkant tussen pin 1 en 2 monteren.

Er is ook een vraag of je een dynamische microfoon i.p.v. een electret kunt gebruiken. Ja, dat kan maar dan heb je wèl een extra versterker nodig, omdat een dynamische microfoon nu eenmaal veel minder energie, of spanning afgeeft. Je moet dan ca. 10X extra versterken en een goede HF ontkoppeling toepassen. Bovendien moet je meestal wat frequentie correctie toepassen. Zet een instelpotmetertje tussen die versterker en de ingang van de compressor/versterker, dan kun je het niveau aanpassen.

 

1.3 De microfoonversterker/compressor doet het niet goed.

De weerstand R4 is veel te groot, die moet je verkleinen naar 47 Ohm.

Soms wordt een vreemd verschijnsel bij T1 geconstateerd. Er blijkt geen HF ontkoppeling aan de collector te zitten! En er zit een flinke spoel in de collector in de vorm van de verbinding naar C3. En het is bekend dat een emittervolger op deze manier gebouwd een uitstekende oscillator is! Er moet dus nog een c'tje van 10-, 22- of 47 nF van de collector naar massa. Dat kun je heel gemakkelijk aan de onderkant monteren op de verbinding van R2 en het baantje dat naar de collector gaat en de massa die daar bijna tegenaan ligt.

1.5 De zender gaat aan bij omschakelen naar cw.

Dat komt omdat de PTT lijn dan naar massa getrokken wordt met de weerstanden rondom T4 in de controlbox. De oplossing is een diode in serie met R23 met de kathode wijzend naar de PTT lijn.

 

1.6 Samenvatting:

  1. Mike uitschakelen bij ontvangst, door twee transistoren toe te voegen op zelfde wijze als T4, T5.
  2. R4 veranderen naar 33,47 of 56 Ohm.
  3. 22nF monteren van de collector van T1 naar massa.
  4. Een diode in serie met R23. Kathode wijzend naar de PTT lijn.
  5. Een C van 100 tot 220 pF tussen pin 1 en 2 van de compressor/versterker

 

2 De bedrading naar de controlbox

  • Deze gaat in hoofdzaak van de SSB print naar de andere stekker op de achterkant. De aansluitingen staan op het schema van de control-box.
  • Je hebt de controlbox voor de eerste luisterproeven niet nodig. Als je alleen de luidspreker aansluit kun je luisteren. De andere aansluitingen zijn "in's en out's" die je nog niet nodig hebt. Het CW filter kun je op de voorkant uitzetten. Zie ook verderop bij het item luisteren.
  • Belangrijk! De luidspreker heeft twee aansluitingen naar het IC TDA7052A. Die mogen niet geaard of aan massa gelegd worden! Een van de twee aansluitingen gaat naar de schakelaar op de voorkant zodat je de luidspreker aan en uit kunt zetten. De koptelefoon is ook op één van de uitgangen van het IC aangesloten en het spreekt vanzelf dat die in de controlbox op de niet geschakelde uitgang aangesloten moet worden.

3 De eerste zendproeven

Om te zenden heb je de controlbox wèl nodig. Controleer of de RX/TX omschakeling werkt en er geen sluiting is in de +TX leiding. Controleer diverse spanningen. Je moet de Push To Talk naar massa schakelen.

 

DE SYNTHESIZER.

 

Bouwaanwijzingen

 

In tegenstelling tot het bij prototype, is bij de definitieve transceiver uitvoering de synthesizer/matrix bevestigd aan de bandschakelaars. En die zijn met afstandsmoeren aan de voorkant bevestigd. Dus dat bepaalt de afstand tot de behuizing. Voor de "Pulldown" weerstanden van de synthesizer zijn weerstand-arrays geleverd. De waarde er van kan verschillen, die is niet van belang als ze maar groter zijn dan 10K, want anders kost het te veel stroom. Let op dat je ze er goed in zet. Er is een  centraal pootje, meestal aangegeven met een stipje. Dat is dan de massa. De print is gemaakt voor 9-pins arrays. Het kan zijn dat er 10-pins arrays geleverd zijn, knip dan het overbodige (maar wel het juiste!) pootje af.

 

  • De diodes D21 t/m D27 staan rechtop gemonteerd rondom de MHz schakelaar. De bovenkanten zijn de kathodes en die worden doorverbonden. Dat is het op de lay-out getekende draadje. Daarmee schakelen we de deler in de VCO en de LSB/USB.
  • Op de lay-out staan D21 en D22 niet goed getekend. Op het schema staan ze goed.

 

Let op! Er zijn een paar printfouten.

  • De schakelaars worden gevoed met een serieweerstand R1 van 100 Ohm. Die voorkomt dat er iets uitbrand als er een sluiting is, bijv. in de bedrading naar de bandenfilters. Als je de linkerkant van R1 bekijkt zie je dat er een printspoor naar boven loopt, naar het moedercontact van de MHz schakelaar. Dat sluit de weerstand R1 kort en dat moet je dus doorkrassen.
  • De vier massa aansluitingen bij de aansluitingen 3, 4, 5 en 6 van de 4059 dienen om er gewone weerstanden te monteren voor het geval we geen arrays hebben. Dat is ook het geval aan de andere kant van de 4059.
  • Links boven de aansluiting 13 van de 4059. Je ziet daar een doorverbinding voor de massa en het rechtse eiland daarvan heeft een sluiting met de plus leiding, die daar onderdoor loopt.
  • Pin 2 van de 4059 ligt niet aan massa en dat moet je alsnog doen. Het beste doe je dat met een draadje naar een van de vier massa aansluitingen die daar schuin linksonder liggen.
  • De weerstand R17, 1 MΩ zit aan een verkeerd pootje van de 5532. Hij moet aan pin 2 i.p.v. pin 1. Kras het spoortje dat naar pin 1 gaat vlak bij de weerstand door en leg een draadje tussen het nu vrije uiteinde van de weerstand en pin 1.

 

De bandenschakelaar bestuurt ook het bandenfilter en later de Low-Pass filters in de PA.

  • De aansluitingen solderen we achter op de schakelaar.Daar vandaan gaan alle draadjes naar het junction printje en vandaar naar de bandenfilter en de PA.

 

Bij de meeste die ze hebben gebouwd werkte alles in één keer goed. Als je de twee spanningen er op zet en het signaal van de kristaloscillator, is de eerste test om te zien of de afstemspanning verandert als je de bandschakelaar verzet. Als dat zo is werkt (bijna) alles! Daarna kun je met een counter meten of de juiste frequenties uit de VCO komen. Op de VCO uitgang die naar de mixer gaat meet je de VCO frequentie en die moet lopen van ca. 20 tot 40 MHz. Hij staat altijd 10,7 MHz boven de ingestelde band frequentie Op de deler uitgang komt, afhankelijk van de keuze van hoge of lage band, de VCO frequentie gedeeld door 10 of 20. Als het niet werkt kunnen er veel oorzaken zijn. Meet de voedingsspanningen en kijk of het kristaloscillator signaal van 10 MHz er is. Op  op pennen 25 en 26 van de HEF4750 moet je 10 kHz meten. Dit is de referentie frequentie voor de fasevergelijker en is afgeleid uit de 10 MHz. Op pennen 1 en 2 van de HEF4750 staat dan ook 10kHz. Dit is na deling de meting uit de VCO. Is de VCO goed verbonden en heeft die voedingspanning? Probeer door logisch te denken de fout te vinden, er kan niet veel mis zijn.

 

Niet iedereen krijgt de synthesizer probleemloos werkend, daarom zijn een aantal tabellen opgesteld en een blokschema getekend. We zullen dat na mijn vakantie op de website zetten. Ook is er de waarheidstabel die we gebruikten om de matrix te maken en die zullen we ook publiceren. Als je meer wilt weten zijn er publicaties over in eerdere nummers van Electron. Ook is er informatie over de synthesizers van de omzetters en die krijg je als je die info bij Freek opvraagt.

 

Werking.

Uniek in deze synthesizer zijn de 4053's. Die dienen om het MHz bereik om te schakelen als je de 100 KHz stappen schakelt van 200 naar 300 KHz. Dat komt omdat de eerste MF geen heel getal in MHz is maar 10,7 MHz. En door het omkeren van de eerste mengtrap gaat 700 KHz naar 300 KHz. (700 KHz + 300 KHz = 1000 KHz). Als er meer belangstelling voor is kom ik hier later nog op terug en zal dan meer uitleg geven.

 

De XOR-print

 

Automatische zijband omschakeling, AZO.

Tijdens het controleren van het bedradingschema ontdekten we dat de schakeling voor de automatische zijband omschakeling vergeten is. Die schakeling zorgt er voor dat bij de overgang van 10 MHz automatisch de zijband verandert van lage naar hoge zijband of omgekeerd. De informatie daarvoor komt uit de matrix via D19 en 20 en daarop staat bij USB + 12 volt. De AZO moet er dus nog bij. De XOR vervangt S2 in het schema en de schakelaar keert dan de werking van de XOR om. Het is een soort opzetprintje en kan gemonteerd worden op de spanningsrail van de VFO print.

Vergeet de pull down weerstand en de ontkoppel C niet.

 

De bedrading en het bedradingschema.

 

De bedrading maak je nadat alle delen mechanisch zijn bevestigd, óók de voorkant, maar niet de synthesizer.

Die monteren we pas nadat alle bedrading aan de voorkant zit. Met de hierboven beschreven manier van montage kun je overal bij en kun je alle draden gemakkelijk afpassen op de juiste lengte. Met de voorkant op zijn plaats kun je heel gemakkelijk alle draden aanbrengen tussen de aansluitingen op de voorkant en de printen in de behuizing. Gebruik steeds wat extra lengte. De bedrading is dan later goed samen te brengen in enkele draadboompjes door e.e.a. te binden met tiewraps o.i.d.

 

Werk systematisch, maak een kopie van het bedrading overzicht en kleur de gelegde bedrading. Dan houd je overzicht waar je bent.

 

De complete bedrading van de transceiver is onder te verdelen in zeven groepen:

  1. De +24 volt van de stekker op de achterkant via de schakelaar naar de stabilisatoren
  2. De bedrading tussen de twee grote printen in het kastje
  3. De bedrading tussen de voorkant en de printen
  4. De bedrading van en naar het bovendeksel
  5. De bedrading van de bandenschakelaar, junctionprint en bandenfilter
  6. De bedrading naar de controlbox
  7. De afgeschermde HF verbindingen

De bedrading kun je maken naar eigen inzicht. Het gaat er maar om dat er een verbinding wordt gelegd tussen punten die met elkaar doorverbonden moeten worden. Zoals eerder gezegd kun je de bedrading het beste maken met soepel draad. Dat is ruimschoots voorhanden in oude computerkabels. Neem zoveel mogelijk verschillende kleuren dan raak je niet in de war. We geven een aantal aanwijzingen bij de zeven bovengenoemde groepen.

 

1 De stekker op de achterzijde

  • Het heeft zin om in serie met de 24 volt leiding een diode op te nemen. Want als je de stekker er omgekeerd op doet gaat er wèl wat kapot!
  • De 24 volt begint bij de stekker op de achterkant. Neem hiervoor een wat dikkere draad. Dan herken je die goed in een draadboom.
  • Op de foto van de stekker aan de achterkant zie je dat er een filter in serie staat met de +24 volt. Dat zorgt er voor dat er bij zenden zo weinig mogelijk
  • HF via de 24 volt leiding in de transceiver komt. Het is een eenvoudig pi-filter dat bestaat uit twee condensatoren van 220 nF en een 5 µH spoeltje (het grote) uit de omzetter met een parallelweerstand van 100 Ω.
  • Neem op de stekker voor de plus het linker contact en voor de min het rechter. Dat is als je aan de achterkant tegen de stekker kijkt. Zo zit het ook bij de omzetters en dan heeft iedereen dat hetzelfde.
  • Voor de plus en de min gebruiken we twee contacten van de stekker, dat vergroot de zekerheid van een goede verbinding. Dus links en rechts zijn twee contacten van de stekker doorverbonden. De min van de voeding moet aan de massa, dus de behuizing, en je kunt hem onder de rechter bevestigingsschroef vastmaken. Daar moet een goede verbinding tot stand komen, dus maak die met een soldeerlipje en een kartelring achter het kopje van het M3 boutje aan de binnenzijde.
  • Het filter zit tussen de linker plus contacten, en één van de contacten naast de min functioneert als draadsteun. Daarvan gaat de 24 volt draad door een gaatje, en tussen de twee printen door, naar de aan/uit schakelaar op de voorkant en vandaar naar de stabilisatoren.
  • De twee condensatoren kun je monteren aan de aardschroef, ze moeten óók goed aan de behuizing zitten.

 

2 De bedrading tussen de twee grote printen in het kastje

  • Van de spanningsrail op de VFO print gaan 12 volt verbindingen naar de SSB print. Er zijn meerdere aansluitingen. Maak ze met zo kort mogelijke draden maar laat geen draden over HF gevoelige plaatsen lopen. Maak ze dan wat langer en leg ze een eindje om.
  • De luidspreker schakelaar. Zie daarvoor het bedradingschema. Een van de twee aansluitingen gaat eerst naar de schakelaar en dan naar de controlbox. Er is dus geen extra draadje nodig.
  • De AGC F/S schakelaar. In het bedradingschema staat die naar massa getekend maar hij moet aan de +. Want dan is diode D5 in geleiding en staat R114 parallel aan R118 en is de AGC sneller. Dus "AGC" is snel en het onderste contact van de schakelaar komt aan de +.
  • De luidsprekeraansluiting. De laagfrequent versterker op de SSB print is een z.g. BTL versterker. Daarin zitten twee LF versterkers die elk in balans uitgestuurd worden. Er gaan vanaf het IC twee draden naar de luidspreker. Geen van deze twee mag geaard worden! De koptelefoon zit via een elco op één van de twee versterkers.

 

 

3 De bedrading tussen de voorkant en de printen

  • Bij het bedraden zit de voorkant op z'n plaats maar de synthesizerprint is niet gemonteerd. Zie ook bij bevestiging bandenschakelaar.
  • Er zijn veel verbindingen van beide printen naar de voorkant. De draden lopen in het midden tussen de printen door en gaan door het vierkante gat van de behuizing naar de voorkant. Ze verbinden de betreffende aansluitpunten op de printen met de schakelaars en potmeters op de voorkant.
  • Voor service doeleinden hoeft de voorkant er niet meer af, dus je kunt de bedrading direct op de goede lengte maken. Ze hoeven niet extra lang te zijn maar maak ze ook niet te kort. Neem voldoende lengte om ze later tot een draadboom samen te kunnen nemen.
  • De + 12 volt gaat naar verschillende aansluitingen van de schakelaars en naar de synthesizer. Je sluit die bij de VFO aan op de spanningsrail en je kunt ze doorlussen. De schakelaars hebben oogjes dus daar kun je gemakkelijk twee draadjes door steken en ze dan solderen. Dat geldt natuurlijk ook voor de diverse massaverbindingen. Die kun je op verschillende plaatsen op de printen aarden. Let op dat de aansluitingen van de schakelaars altijd tegengesteld zijn aan de stand van het schakelarmpje.
  • De voeding voor de display komt met twee draden van de displayvoeding. Hij loopt over de bovenkant van het deksel. De aansluitingen voor de aansturing zijn ook twee Ze zitten aan de betreffende + en - op de VFO print. Let op dat er nog een c'tje op de print van het display moet.
  • Datzelfde geldt voor de afstempotmeter, beide zijn dure componenten!
  • Voor de power-LED moet je een serieweerstand monteren. Als je voedt met 24 volt is 4K7 voldoende en als je meer licht wilt kun je die wat kleiner maken. Voor 12 volt voldoet 2K2. Zie ook de LED bevestiging hierboven.
  • De draden voor de LED’s gaan naar de betreffende punten op de printen. De "Fine-Tune" LED naar de VFO print, De TX LED naar de +TX en de power LED via een weerstand naar de gewone + 12 volt. Let op dat je waar nodig ook de massa verbindt.
  • Om de + en min van de LED te vinden probeer je dat met een weerstand van 4K7 in serie op een voeding. Doe dat nooit zonder weerstand want dan geven ze maar heel kort, maar wel héél veel, licht!
  • Op de foto's zie je ook het begin van de kabelboompjes. Het geeft een idee hoe je die uit kunt voeren.

 

4 De bedrading van en naar bovendeksel

  • De schakelprint heeft de meeste aansluitingen en is daarom aan de voorkant gemonteerd. De kant met de meeste aansluitingen wijst naar het midden zodat je daar later de draden tot een kabelboompje kunt samenbinden. Let op! Doe dat samenbinden het laatste, als alles werkt, want tijdens het in bedrijf stellen bewegen de draden meermalen en kunnen afbreken. En dat gebeurt sneller als ze vast zitten in een kabelboom.
  • Van de schakelprint gaan draden naar de VFO- en SSB print onder in het kastje. Dat zijn een +12 volt, de +RX en de +TX. Ze gaan eerst naar de voorkant en buigen door het vierkante gat waar vroeger de stekker zat, naar de betreffende aansluitingen op de prints. Let op de lengte!
  • De +12 volt komt van de spanningsrail en die kun je aan de bovenkant doorlussen. Eerst naar de schakelprint, dan naar de VCO, de bandenfilters en de displayvoeding.
  • De +RX en +TX moet je twee keer bevestigen aan de schakelprint want één draad gaat naar de SSB print, de andere naar het bandenfilter. Daar zijn soldeeroogjes voor, maar die kun je ook gemakkelijk zelf maken. Buig een oogje aan een stukje blank montagedraad. Zet dat in de print met het oogje aan de bovenkant. Daar kun je dan de twee draadjes in en aan monteren. Let op dat je die draden ook lang genoeg laat zodat je beide modulen gemakkelijk los kunt maken en omkeren voor als je eens aan de onderkant er van moet meten of solderen.
  • Nogmaals, let op dat er altijd een massaverbinding blijft. Dit alles is niet echt moeilijk maar je moet er wel even goed bij nadenken.
  • De VCO ligt achter de schakelprint en heeft vijf aansluitingen.
  • De regelspanning aansluiting naar de synthesizer is gevoelig voor brom- en HF oppikken. Daarom maken we die met afgeschermd Teflon coax. Bovendien geeft dat een goede massaverbinding tussen VCO en synthesizer.

 

5 De bedrading van de bandenschakelaar, junctionprint en bandenfilter

  • Het junctionprint soldeer je aan de linkerkant van het bandenfilter net iets onder de rand van het deksel.
  • Op de foto van het bandenfilter zie je dat de aansluitingen van het junctionprint naar de filters, door een gaatje van 5 mm in het blik gaan, en dan naar de aansluitpunten van het filter. In het blikgaatje zit een stukje kous o.i.d. om de draden niet te laten beschadigen door de scherpe blikrand.
  • Als je die nog niet gemonteerd hebt, zorg er dan voor dat de rechtopstaande weerstanden van 56 Ω, die de filters aan- en uitzetten, een lang draadje hebben aan de onderkant van de print. Daaraan kun je dan de aansluitingen van de draden naar de junctionprint solderen.
  • Filter 1, 160 meter is het filter dat het dichtst bij de junctionprint zit
  • De bandenschakelaar bestuurt ook het bandenfilter en later de Low-Pass filters in de PA. De bandenschakelaar zit met een bundeltje draden aan de vierkante aansluitingen op het junctionprint. Bij de montage hiervan moet je goed opletten dat de standen van de schakelaar overeenkomen met de juiste aansluitingen op het printje. Maar de lay-out tekening is op dit punt heel duidelijk.
  • Maak draden van de juiste lengte zodat je het deksel kunt opklappen en de synthesizerprint kunt losmaken. Dat kun je uittesten door één draad te monteren. Er is ook een foto op de website, van de losgenomen synthesizerprint.

 

6 De bedrading naar de controlbox

  • Deze gaat in hoofdzaak van de SSB print naar de andere stekker op de achterkant. De aansluitingen staan op het schema van de controlbox.
  • Je hebt de controlbox voor de eerste luisterproeven niet nodig. Als je alleen de luidspreker aansluit kun je luisteren. De andere aansluitingen zijn "in’s en out's" die je nog niet nodig hebt. Het CW filter kun je op de voorkant uitzetten. Zie ook verderop bij het item luisteren.
  • Belangrijk! De luidspreker heeft twee aansluitingen naar het IC TDA7052A. Die mogen niet geaard of aan massa gelegd worden! Een van de twee aansluitingen gaat naar de schakelaar op de voorkant zodat je de luidspreker aan en uit kunt zetten. De koptelefoon is ook op één van de uitgangen van het IC aangesloten en het spreekt vanzelf dat die in de controlbox op de niet geschakelde uitgang aangesloten moet worden.

 

7 De afgeschermde HF verbindingen

  • Deze zijn allemaal uitgevoerd met Teflon coax. Ze zijn op het bedradingschema aangegeven met een rondje en massa. Op de foto's (website) zie je een paar voorbeelden van coax verbindingen.
  • De Teflon coax kun je gemakkelijk aansnijden met een mesje maar neem dat niet te scherp want dan snij je ook de draadjes van de afscherming door. En door die allemaal te vertinnen maak je een goede massa. Die is even belangrijk als de binnenader!
  • Vergeet niet de massa van elke coaxkabel aan beide kanten zo kort mogelijk bij het aansluitpunt te aarden. Er is altijd wel een massapunt vlak in de buurt. Dat kan b.v. de massa aansluiting van een IC, een weerstand of van een condensator zijn.
  • Bij de bevestiging van de coaxkabels aan de synthesizer kun je niet zonder meer de massa aan de print bevestigen. Je moet eerst een draadje om de afscherming draaien en vast solderen. Dan kun je dat draadje op een dichtstbijzijnd massapunt aarden. Er zijn twee foto's van. Deze manier van bevestigen van de coax kun je natuurlijk ook op andere plaatsen toepassen.
  • Nogmaals: de regelspanning aansluiting naar de synthesizer is gevoelig voor brom- en HF oppikken. Daarom maken we die met afgeschermd Teflon coax. Bovendien geeft dat een goede massaverbinding tussen VCO en synthesizer.
  • Maak de coax kabels zo goed mogelijk op de juiste lengte, niet te lang en niet te kort. Anders komen er van die grote lussen in en bovendien heb je dan misschien niet genoeg coax.


Ingebruikname

 

1 In bedrijfstellen.

Een algemeen woord over het voor de eerste keer aansluiten, is hier op zijn plaats. Controleer vóórdat je spanning op een print zet altijd eerst met een ohmmeter of er op de voedingslijn geen kortsluiting is. Als je nul ohm meet t.o.v. de massa, zoek dan eerst die kortsluiting op. Het kan een sluiting in de print zijn zoals we die bijvoorbeeld vermeldden voor de VFO print. Maar het kan ook gebeuren dat er tijdens het solderen twee sporen aan elkaar gesoldeerd zijn of dat er een eilandje aan de massa zit waar dat niet mag. Nu is dat met deze printen erg onwaarschijnlijk omdat er een soldeermasker aan de koperzijde zit, maar je weet maar nooit. Ook een laatste check van de bedrading moet uitgevoerd worden.  Behalve wanneer er een spoeltje naar massa zit moet er overal wel een zekere weerstand zijn. Als je ergens nul Ohm meet en het is geen massa, controleer dat punt dan op een sluiting. Maar meet ook nog eens op willekeurige plaatsen op de printen op punten die niet aan massa mogen liggen. Als je de montagemethode voor een goed "servicability" gevolgd hebt, kun je overal gemakkelijk bij. Neem ook nog even de tijd om te controleren of alle IC's goed op hun plaats zitten. Je moet hiermee wellicht je geduld op de proef stellen maar misschien voorkom je daarmee een rampje. Dan mag de spanning er pas op. Gebruik een beschermde voeding waarvan je de stroombegrenzing kunt instellen. Als alles goed is trekt de hele transceiver in de ontvangststand ongeveer 400 mA bij 24 volt.

 

1.1 De voeding.

De voedingsspanning voor de printen is 12 volt en elke print moet eerst getest worden.

  • Dat doe je door hem op de spanning 12 volt te zetten en de stroom te meten. De stroom meet je in de plus leiding. Dan kun je ook een aantal spanningen op de print meten en dat geeft je snel een voorlopige indicatie of alles goed of niet goed is. Doe je dat niet, en zet je alles gelijk onder spanning, dan weet je nooit waar je moet zoeken als er iets niet in orde is.
  • Gebruik voor de eerste test nooit een voeding die veel stroom, bijv. 2 of 3 ampère, kan leveren of een accu. Als er dan een sluiting is, brand gegarandeerd een deel van de print af!
  • Gebruik een voeding met stroombegrenzing en zet die eerst op zijn laagste stand. Zelf gebruik ik bij mijn experimenten altijd een dergelijke voeding. Die is schakelbaar op 50, 100, 250, 500 mA en 1 Ampère. Ik begin altijd met 50 mA en als de meter in de hoek gaat schakel ik de stroom omhoog.
  • Als je een dergelijke voeding niet hebt, neem dan een weerstand van bijv 100 Ohm op in serie met de plusverbinding. Als die weerstand heet wordt en gaat stinken is er iets mis maar je print blijft gespaard! ON9BOG gebruikt een voorlicht lampje van een fiets in serie met de plusleiding. Dat gebruikt voor vollicht ca. 450 mA. Dat geeft een goede indicatie of het goed of fout is. Ik zal binnenkort uitzoeken hoeveel stroom elke print trekt. Dan kun je dat als richtlijn gebruiken. Hier alvast wat natte vingerwerk.
  • De hele ontvanger trekt ongeveer 350 mA. Dus reken op een gemiddelde van ca. 70 tot 100 mA per print van de SSB, VFO en BANDENFILTERS.
  • De VCO trekt ca. 25 tot 35 mA, afhankelijk van de schakelstand.
  • De stroom van de andere printen is erg afhankelijk van diverse instellingen maar zal nooit meer zijn dan 50 mA.
  • De printen zijn niet beveiligd tegen verkeerde polarisatie van de voedingsspanning! Dus als je plus en min verkeerd aansluit gaat er gegarandeerd iets kapot! Controleer dat dus minstens twee keer voor je de voedingsspanning op een print zet. Denk om de veerringetjes als je de printen in de behuizing gaat monteren!

 

  • Warmteontwikkeling in de 12 volt stabilisatoren. Je kan een deel van de 24 volt laten vallen over een externe weerstand, zodat er minder warmte ontstaat in de stabilisatoren. De 24 volt staat wel op de loopfilter-opamp van de banden synthesizer.

 

2  De eerste testen

 

2.1 De ontvanger.

Als je de ontvanger voor het eerst werkend hebt komt er (hopelijk) geluid uit de luidspreker en je hoort signalen als je aan de afstemknop draait. Maar je weet nog niet of alles goed werkt.

Als je de modulen apart getest hebt en alles klopt moet de ontvanger werken en kun je luisteren. Met de luidspreker aangesloten, zoals aangegeven bij de bedrading van de controlbox, moet er minstens ruis uitkomen als je de volumeregelaar opdraait. Sluit een antenne aan op de ontvangeringang op het bandenfilter dan moet je op diverse banden radioamateurs horen.

 

Ik wil nogmaals opmerken dat je niet eerst de hele controlbox hoeft te maken om de eerste luisterproeven te doen, want behalve de luidspreker heeft de controlbox een aantal in- en uitgangen die voor de eerste proeven niet van belang zijn. De meeste zijn alleen nodig bij het zenden. Als je niets hoort maar de stroom is goed, controleer dan eerst nog een keer de luidsprekeraansluitingen en de verschillende spanningen, en controleer of de +RX op de betreffende punten aanwezig is. Dan de plussen aan de voorkant zoals die op de volumeregelaars voor laagfrequent en hoogfrequent. Zo zijn er nog een heleboel dingen te controleren.

 

Hieronder vind je beknopt wat ontvangertheorie en een aantal hints om globaal vast te stellen of en hoe alles werkt.

Ten eerste kun je de ontvanger vergelijken met een andere ontvanger. En als hij direct heel levendig klinkt en je hoort op alle banden signalen is vrijwel zeker alles in orde, zeker als de S-meter op al die signalen uitslaat. Maar als je met een grote antenne er aan nog niet veel hoort is het niet goed.

 

2.2 Luisteren.

Bij het luisteren naar radiosignalen op de kortegolf banden zoals wij dat doen, gaat het om de signaal/ruis of signaal/stoor verhouding. Want soms geeft men een signaalsterkte rapport van bijv. S9 + 10 dB, tenminste, dat geeft de S meter aan. Maar als er QRM of storing is van S9, is de signaal/stoor verhouding maar 10 dB. Het tegenstation vraagt zich af waarom hij steeds z'n naam moet herhalen! Eigenlijk zouden we dan een rapport van 10 dB of 1,5 S-punt moeten geven. Als de signalen net zo sterk zijn als de ruis of de storing nemen we de signalen nog wel waar, maar onze hersenen kunnen er geen informatie uit halen.

Er is een zeker verschil nodig tussen de ruis en het signaal voordat wij er info uit kunnen halen. Dat is per persoon verschillend maar meestal is 6 DB, dus een dubbele spanning of vier keer in vermogen, voldoende. Maar hoe harder, hoe beter en wij vinden een signaal/ruis verhouding van bijv. 40 dB heel prettig omdat we dan geen ruis meer waarnemen. Maar 40 dB verschil zouden wij met onze oren en hersenen niet kunnen verwerken, je zou na 5 minuten doodmoe zijn. Om die signaalsterkte verschillen terug te brengen tot voor ons prettige waarden zit er in de ontvanger een regelsysteem, een Automatische Hoogfrequent Regeling, of in het Engels AGC. "Automatic Gain Control". Die regelt de ontvangerversterking zodanig dat alle signalen even hard uit de luidspreker komen. En omdat de ontvangergevoeligheid minder wordt bij sterkere signalen verbetert dan de signaal/ruis of signaal/stoor verhouding.

Als je de XOR schakeling gemonteerd hebt en die werkt goed heb je op de banden onder 10 MHz LSB en daarboven USB. Als je het schakelaartje SSB op "Reverse" zet keert dat om.

 

2.3 Werking

 

2.3.1 Toelichting AGC, RF gain en S-meter.

Een ontvanger is niets meer dan een zeer goede versterker met een enorm groot regelbereik van zo'n 100 dB. De AGC, dus de automatische HF regeling, zorgt er voor dat zeer zwakke of zeer sterke signalen even hard weergegeven worden. Daarvoor wordt een regelspanning opgewekt die de drie MF-versterkers regelt. Die spanning wordt lager bij sterkere signalen en regelt dan de versterking van de drie MOS-FET's terug.

Hetzelfde kan ook met de hand gebeuren en dat is de RF gain. Als je daaraan draait breng je a.h.w. een drempel aan op de ontvangergevoeligheid en dat is heel prettig  bij ruis en storing.

Stel je voor dat er S7 aan ruis en storing is. Dat gaat op en neer en dat maakt de ontvangst onrustig doordat de AGC er op regelt. Nu kun je de AGC wel langzaam zetten, dan wordt de ontvangst rustiger maar eigenlijk hoeft de AGC op die ruis en storing helemaal niet te regelen.

Dus dan breng je met de RF gain a.h.w. een drempel aan op de ontvangergevoeligheid. Die is dan tot dat ingestelde niveau teruggebracht en daaronder regelt de AGC niet meer. De ontvangst is nu veel rustiger en je S-meter staat stil op dat niveau. Daardoor hoor je alle rommel onder dat ingestelde niveau ook veel zwakker uit de luidspreker. Dus de signaal/ruis- of stoorverhouding is verbeterd. En boven het ingestelde niveau regelt de AGC alle signalen weer naar een constant uitgangssignaal.

 

De spanning uit de RF-gain regelaar en de AGC regelspanning hebben dezelfde invloed op de versterking. Één van de twee regelt de versterking van de ontvanger en beide spanningen hebben bij dezelfde versterking dezelfde waarde.

Als die spanning uit de AGC gelijkrichter met T8 en D3 komt, is hij afhankelijk van de sterkte van het HF-signaal en komt hij uit de potmeter dan is hij afhankelijk van de stand van de potmeter.

De diode D4 bepaalt welke spanning van invloed is. Is de potmeterspanning lager dan de regelspanning uit de AGC gelijkrichter D3, dan is de diode in geleiding en bepaalt de potmeter de regelspanning ofwel de versterking. Wordt de regelspanning uit de gelijkrichter lager dan de potmeter, dus bij sterkere signalen dan het ingestelde niveau, dan bepaalt die de versterking.

 

De tijdconstante van de AGC ontstaat door R119 en de parallelschakeling van C112 en C 113. (Parallel ? Ja, voor DC staan ze parallel, want als de ene oplaadt, onlaadt de andere. Dat is zo gemaakt om bij inschakelen van de ontvanger direct de juiste regelspanning te hebben. Antwoord op een vraag uit een brief.)

 

De S-meter geeft in feite de AGC spanning aan en die gaat van ongeveer 8 naar 2 volt. Bij 8 volt is er geen signaal, dus alleen maar ontvangerruis en bij S9 + 60 dB, dus maximum signaal heb je ongeveer 2 volt. En omdat de AGC spanning en RF-gain-spanning gelijk zijn is er ook een direct verband tussen de S-meter uitslag en de spanning van de RF gain potmeter.

Met dit gegeven kun je, zonder HF-signaal, al belangrijke delen van de ontvanger testen, n.l. de AGC lijn, de eerste 455 KHz MF versterker T3 en de S-meter. Want die spanning regelt G2 van T3 en de S-meter wordt gestuurd vanuit de source van die FET.

 

2.3.2 S-meter afregeling en controle.

Wanneer alles werkt zoals het hoort kun je met de RF gain de S-meter afregelen. Controleer het circuit van de S-meter nogmaals op sluitingen en draai de RF-gain rechtsom. Dat is de hoge spanning dus maximum versterking. Als je nu de voedingsspanning aanzet zal de meter uitslaan. Regel die met P4 op nul. Het moet nu zo zijn dat als je de RF gain linksom draait de S-meter vooruit gaat. Want dan draai je de RF gain potmeter naar de lage spanning en dat is de hoge signaalsterkte. De meter moet dus tegengesteld lopen aan de draairichting van de potmeter en als dat niet zo is moet je de meteraansluitingen omkeren.

Draai nu de RF gain helemaal linksom, en regel met P5 de meter op 90 µA. Dat komt ongeveer overeen met zo'n S9 + 50 dB en 100 µA is dan ca. S9 + 60 dB. Als alles goed werkt geeft elke 10 µA van de S-meter een signaalverschil van ongeveer 10 dB aan !

Nu is elke normale HF antenne is ook een signaalbron. Als je beschikt over een normale antenne voor bijv. 80 meter en je sluit die overdag aan op de ontvanger moet de S-meter op de bandruis en storing, minstens uitslaan tot ca. 20 µA. Op 10 meter is dat ca. 5 tot 10 µA.

 

2.4 De ontvangergevoeligheid.

Als alles goed werkt heeft de ontvanger een normale gevoeligheid. D.w.z. 0,1 µV is hoorbaar en bij ca. 0,5 µV begint de AGC te werken. Vanaf dat niveau mag het laagfrequent uit de luidspreker of koptelefoon nauwelijks veranderen bij een toenemende HF signaalsterkte.

 

Nu hoorde ik van een paar mensen dat de ontvanger ongevoelig is. Dat kan verschillende oorzaken hebben en het is op afstand moeilijk vast te stellen maar hier volgen een paar tips.

 

Lees eerst het stuk hieronder over het oscilleren van de middenfrequent versterker.

Controleer alle voedingsspanningen op de versterkers en de mixers. Controleer ook de spanning op de Gates 2 van de drie versterkers. Dat kan alleen met een hoogohmige meter zoals de meeste digitale meters. Als er geen signaal is moet er ca. 8 tot 9 volt staan. Op de sources staat dan ca. 2 tot 3 volt. De Gates1 hebben dezelfde spanning als de source.

En controleer dan of de hierboven aangegeven werking van RF gain en S-meter klopt.

De ontvanger moet ruisen als je de LF- en RF gain op maximaal zet. Als er geen ruis is kan de fout zitten in de MF versterkers, zoals ook hieronder is aangegeven. Als je wel ruis hebt controleer dan eens of die verandert  als je aan de trimmer C1 in de 10,7 MHz versterker draait. Als dat zo is zit de fout waarschijnlijk vóór deze versterker, naar de antenne gezien. Regel de trimmer op maximale ruis.

Sluit nu eens de ingang van de SSB print, de coax aan BU1, kort tegen massa. Als je nu de ruis hoort verminderen zit de fout waarschijnlijk in het bandenfilter.

Als je de attenuator "aan" zet moet je ook een ruisvermindering horen. Want als je de verzwakker aanzet verminder je de versterking van de voorversterker.

En dan kun je voorzichtig met een pennetje of schroevendraaier alle gevoelige punten aanraken en luisteren of je storing hoort. Zo vind je misschien waar de gevoeligheid ophoudt.

Voor en na de bandenfilters mag dat maar weinig verschillen en dat geldt ook voor de diodeschakelaar tussen de bandenfilters en de RX ingang BU1. 

 

3  De eerste zendproeven

Om te zenden heb je de controlbox wèl nodig. Controleer of de RX/TX omschakeling werkt en er geen sluiting is in de +TX leiding. Controleer diverse spanningen. Je moet de Push To Talk naar massa schakelen. Er is nog geen zend/ontvang omschakeling voor de antenne. Let op dat er bij gebruik van een externe eindtrap niet te veel energie op de ontvangeringang komt. Met de beperkte stroom in het kleine eindtrapje komt er ongeveer 100 mW uit want de grote eindtrap heeft maar ongeveer 25 mW nodig. Als je meer power wilt moet je meer stroom in het eindtrapje laten lopen door R18 te verkleinen. Controleer die als je R18 verkleint. Bij ca. 200 mA haal je zo'n 300 mW maar dan worden de transistoren behoorlijk warm als je lang zendt.

 

3.1 Bandenfilters

Controle van de bandenfilters kan heel gemakkelijk als we de output van de zender meten op de verschillende banden en frequenties. Dat gaat het best met een outputmeter voor 50 Ohm en een meetbereik van 100 mW. Je leest dan op één schaal direct de verschillen af tussen de verschillende banden.

Zet voor de meting de zender in "Tune", dan heb je de CW draaggolf met een constante amplitude. Regel nu de output met de power regeling af op een bepaalde waarde, bijv. 50 mW. Nu kun je door alle banden draaien met de beide banden- en kilohertz schakelaars, waarbij je de output op alle frequenties afleest. Schrijf ze op zodat je later de verbeteringen vast kunt stellen.

Zo'n meetinstrument heeft niet iedereen maar je kunt zelf een eenvoudige power-meter maken van een analoog metertje van bijv. 100 of 200 µA en een germaniumdiode, bijv een AA119. De schakeling daarvoor vind je in diverse handboeken.

Heb je geen power-meter dan kun je het met een oscilloscoop doen, mits die hoog genoeg in frequentie gaat. Sluit dan de zender af met een weerstand van 50 Ohm en meet de spanning over de weerstand. Je meet dan de piek-piek waarde van het HF signaal en je moet hieruit wel de effectieve waarde berekenen om de power vast te stellen. Dat is wat omslachtiger maar je leest wel beter verschillen af. 100 mW is 2,24 Volt effectief, dat is ca. 6,3 volt pp.

 

3.2 Metingen.

Alles aan de praat krijgen is niet altijd even gemakkelijk en om vast te stellen waar een mogelijk probleem zit, is een aantal meetwaarden van belang.

Allereerst zijn er natuurlijk DC waarden die je gemakkelijk met een universeelmeter vast kunt stellen. Een aantal volgt uit het schema. Neem als voorbeeld de voedingsspanningen van de mixers. De uitgangen daarvan zijn via spoeltjes aangesloten op de +12 volt en je meet dan ook vrijwel de volle spanning op de punten 3 en 14. Elke mixer trekt ca. 50 mA totaal en dat kun je controleren door de spanning over de 10 Ohm weerstanden te meten. (50 mA door 10 Ohm is 0,5 volt.) Bij mixer 1 meet je dan over R 31 en 26 de helft! Dat is een redelijke stroom voor zo'n IC, ze worden dan ook warm en dat is de eerste test om te zien of ze heel zijn.

De MF Fets hebben allemaal een spoeltje in de drain dus daar meet je ook bijna 12 volt. Maar de collector van de LF versterker T10 hangt via weerstanden aan de + dus op de collector meet je ongeveer de halve voedingsspanning. Wil je controleren of zo'n transistor goed is, sluit dan voorzichtig de basis en emittor kort en meet de collectorspanning. Doordat de tor uit geleiding gaat, wordt die spanning 12 volt.

De spanning op de AGC lijn kun je alleen meten met een zeer hoog-ohmige meter. Dat is ca. 8 à 9 volt zonder signaal. Zie voor de nodige info het voorgaande.

 

Dan zijn er de waarden van de HF wisselspanningen bij zenden. We meten ze in de "tune" mode en de power regelaar op maximum.

De spanningen kun je meten met een HF wisselspanningsmeter, bijv een buisvoltmeter of transistorvoltmeter met een HF-probe. Maar ook met een oscilloscoop. Dan zie je óók de vorm van de spanning maar daaruit kun je ook verkeerde conclusies trekken! Want de wisselspanning op de uitgang van een mixer bestaat uit meerdere frequenties en dat geeft dus geen info over het gewenste signaal, daarvoor heb je een spectrumanalyser nodig. Hier volgt een aantal richtwaardes, ze kunnen best 20% afwijken wat de werking nauwelijks beïnvloedt.

 

 

Mixer 2 pin 13      : 60 mV pp.  (455 KHz).

Mixer 2 pin 5        : 400 mV pp.  (VFO signaal, ca 10,2 MHz).

Mixer 2 pin 14      : 400 mV pp.  (Dit is een vreemd gevormd signaal, zie boven).

T2 Gate 1             : 50 mV 10,7 MHz.

T2 Drain               : ca. 1 volt pp. 

Mixer 1 pin 13       : 400 mV pp (10,7 MHz).

Mixer 1 pin 5        : 300 - 500 mV pp. (HF signaal van de bandenoscillator).

Het signaal op de output van mixer 2 kun je alleen maar meten met een spectrum-analyser omdat het bestaat uit een groot aantal verschillende frequenties. De output is voor alle banden vrijwel hetzelfde en zit rond het -10 dBM niveau. Met de totale versterking van 30 tot 35 dB van het bandenfilter kom je dan aan ca.100 mW output. (10 x power = 10 dB).

In het bandenfilter kun je aan de uitgang van de filters weer een schoon signaal meten met de oscilloscoop. Het niveau ligt daar voor alle banden zo rond de 50 tot 70 mV pp.

Nogmaals, dit zijn richtwaarden!

 

Mensen die de transceiver af hebben en willen we ook graag werken. We zijn er (bijna) elke zaterdagmorgen op 3795 tussen elf en twaalf na het QRP-netje. En ook in de middag om vier of vijf uur op 3720 +/- QRM. Daar ben ik overdag ook vaak stand-by totdat de middag- en avond-QRM komt. Probeer het maar eens met low power, veel kans dat het gaat! We luisteren met gespitste oren en de SSB-2.

 

3.3 Opmerking n.a.v. een vraag:

Het verschil tussen de banden VCO en de VCO in de VFO.

Er was een vraag waarom de spoel van de banden VCO bijna net zoveel windingen heeft als de VCO in de VFO

 

Allereerst zijn het verschillende oscillatoren. De VFO heeft een Clapp-oscillator met een gewone transistor en een seriekring. Hij heeft maar een heel klein frequentiebereik, er mag dus veel capaciteit in de kring en dat geeft een relatief klein spoeltje. Zo maak je gemakkelijk een stabiele en Faze-ruis arme oscillator.

 

De banden VCO is een Collpitts met een FET en een parallelkring. Die heeft een groot afstembereik met een frequentieverhouding van 1 : 2. Daarom heb je een naar verhouding grote spoel en wordt alle capaciteit gevormd door de varicaps zodat je het grote afstembereik krijgt. Als je de spoel van de banden VCO op hetzelfde teflon wikkelt als van de VCO in de VFO wordt de spoel erg lang. Als je hem maakt zoals in het schema is aangegeven werk hij in ieder geval. De spoel moet een zo hoog mogelijke Q hebben i.v.m. de ruiseigenschappen. Daarom is het een luchtspoel en dik draad. Om microfonie tegen te gaan steek je tussen de spoel een de wand een stukje piepschuim.

 

4  Niet bij de SSB-trx II beschreven delen.

4.1 Een voeding voor de transceiver.

Het is zeer belangrijk dat de schakelingen in de transceiver gevoed worden met stabiele en schone spanningen. Dat geldt zeker voor de VFO. Daarom worden alle schakelingen gevoed uit stabilisatoren die direct, dus zonder kabelcontacten of stekkers, met de schakelingen verbonden zijn. Daardoor hebben slechte contacten  of spanningsval in de verbinding tussen het externe voedingsapparaat en de  transceiver geen invloed op de gevoelige schakelingen omdat die verbinding vóór de  stabilisatoren zit. Wèl moet het voedingsapparaat een hogere spanning leveren en bij gebruik van normale 12 volt stabilisatoren, zoals hier, moet die minstens 15 volt zijn om goed te werken. De enige voorwaarde voor het voedingsapparaat is een bromvrije spanning, hij mag best een paar volt variëren. Een goede ringkern trafo van ca 18 volt met een gelijkrichtbrug en een elco van minstens 4700 µF is voldoende. De reden voor het gebruik van 24 volt als voedingsspanning voor de transceiver is, dat de banden VCO zo'n 16 tot 20 volt nodig heeft. Anders zou je aan ca. 16 volt bij 0,5 ampère al genoeg hebben. Daardoor heb je wel een wat hogere dissipatie in de stabilisatoren en dat geeft wat meer warmte in het kastje. Maar de koeling is ruim voldoende door de montage van de stabilisatoren.

Een bijkomend voordeel van deze manier van voeden is dat de transceiver nu ongevoelig is voor voedingsspanning veranderingen. Die mag gerust volts op en neer gaan. Je zou voor de VCO ook een omzetter kunnen maken, net zoiets als voor de display. Het hoeft maar ca. 3 tot 5 mA te leveren. Als zo'n ding dan ook twaalf volt geeft kun je die boven op de bestaande 12 volt zetten. Die spanning moet wel heel goed schoon zijn omdat eventuele rommel uit zo'n omzetter op de regelspanning van de VCO kan komen. Dus niet op 50 KHz of zoiets laten "fluiten". Maar gelukkig houdt de op-amp in de synthesizer wel veel "rommel" tegen. (60 dB)

Voorlopig genoeg hierover. Als er mensen zijn die serieus naar 12 volt willen om de transceiver op accu's te kunnen gebruiken, kunnen we hier later nog wel eens verder over discussiëren. Maar dan moet er nog wel wat geëxperimenteerd worden. Je kunt eerst een aparte 24 volt voeding bouwen voor de transceiver. Maar realiseer je dat er ook nog een voeding voor de eindtrap nodig is. Die twee kun je elektrisch niet combineren maar ze wel alle twee in één behuizing bouwen. Ik heb daarvoor twee omzetterkastjes op elkaar gemaakt.

 

 

4.2 Mogelijke eindtrappen.

De 100 watt eindtrap vordert langzaam doch zeker. Hij bestaat uit twee delen, de versterker, dus de "Power-Amplifier", en het deel met de low-pass filters en het schakel- en meet gedeelte. Piet. PE1PYK heeft de eerste prototype  printen gemaakt en Jan PA0HRT heeft daarmee de low-pass filters gebouwd als prototype. Dat ging niet zonder problemen en het vraagt de nodige tijd om die op te lossen. En zoals gezegd gaan we eerst de complete eindtrap een paar keer als prototype bouwen zodat we zeker zijn dat alle kinderziektes er uit zijn. Dus nog even geduld.

Maar dat wachten stimuleert veel mensen om alvast zelf iets te bedenken of te maken en er zijn meerdere mogelijkheden om goedkoop een eindtrapje te bouwen.

In DL is een bouwpakketje te koop voor een 10 watt eindtrapje voor alle banden tot zelfs 6 meter. Freek heeft gecheckt of het er nog is en je vind de info bij: www.funkamateur.de

Rob, PARBO heeft hierover geschreven in het blad van de QRP club, nr. 94, juni 2000, blz. 34, 35 en 36.

Daarnaast kun je zeer goedkoop een eindtrapje bouwen met goedkope schakel-fets. Fred, PA0FRD, en ik hebben bijna gelijktijdig zo'n eindtrapje gebouwd en beide met een zeer goed resultaat. Ze geven allebei zo'n 5 tot 10 watt output en zijn zeer gemakkelijk na te bouwen. Je hebt alleen wel wat extra filtering nodig om de harmonischen te onderdrukken. Op de website staat alvast een voorlopige beschrijving: een low cost 10W eindtrapje.

 

 

De hulptroepen van dit project:

 

PE1PYK

ON9BOG

PA0FRD

PA0CGB

PA0PAF

PA0SKF

PA3GSB

PA0HRT

PA0WDW

PA0MJK

PA0SKW

PA0NJH

PA0VST

LA8LJA